RUSSEN EN TARTAREN.
Dat de czaar zoo onverwachts de zalen van het Nieuwe Paleis verlaten had, op het oogenblik dat het feest, dat hij aan de burgerlijke en militaire autoriteiten van Moskou gaf, in vollen glans was, kwam daar van daan, dat ernstige gebeurtenissen toen aan gene zijde van den Oeral plaats hadden. Er viel niet meer aan te twijfelen, dat een geduchte inval de Siberische provinciën aan het Russisch bestuur dreigde te ontrukken.
Aziatisch Rusland of Siberië beslaat eene oppervlakte van vijf honderd zestig duizend mijlen, en telt ongeveer twee millioen inwoners. Het strekt zich uit van het Oeralgebergte, dat het van Europeesch Rusland scheidt, tot de kusten van de Stille Zuidzee. Ten zuiden ligt Turkestan en het Chineesche rijk; ten noorden de IJszee, van de zee van Kara af tot de Behringstraat. Het is verdeeld in gouvernementen of provinciën, namelijk Tobolsk, Jeniseïsk, Irkoetsk, Omsk en Jakoetsk; het bevat twee districten: Okhotsk en Kamtschatka, en bezit twee landen tegenwoordig aan de Moskovische heerschappij onderworpen, het land der Kirgiezen en het land der Tchoektches. Deze uitgestrekte steppen, die meer dan honderd tien graden van het Westen naar het Oosten beslaan, zijn tegelijkertijd eene strafkolonie voor misdadigers en een ballingsoord voor hen die door eene ukaze tot uitzetting zijn veroordeeld.
Twee gouverneurs vertegenwoordigen de oppermacht van den czaar in dit uitgestrekte land. De een houdt zijn verblijf te Irkoetsk, de hoofdplaats van Oost-Siberië; de andere te Tobolsk, de hoofdplaats van West-Siberië. De rivier Tchoena, eene nevenrivier van den Jeniseï, scheidt deze beide Siberiën.
Geen spoorweg doorloopt deze onmetelijke vlakten, waarvan eenige wezenlijk buitengewoon vruchtbaar zijn. Geen spoor staat de kostbare mijnen ten dienste, die den Siberischen grond meer onder dan boven zijne oppervlakte, rijk maken. Men reist er in tarentass of in telega des zomers; in sleden des winters.
Een enkele gemeenschap bestaat er tusschen de westelijke en oostelijke grenzen van Siberië door middel van een draad, die meer dan acht duizend wersten (8.536 kilometer) [1] lang is. Van af den Oeral gaat hij over Ekaterinenburg, Kassimow, Tioemen, Ichim, Omsk, Elamsk, Kolivan, Tomsk, Krasnoïarsk, Nijni-Oedinsk, Irkoetsk, Verkne-Nertschink, Strelink, Albazine, Blagoustenks-Radde, Orlomskaya, Alexandrowskoë, Nikolaevsk, en rekent zes roebels en negentien kopeken voor elk woord dat tot zijne uiterste grens geseind wordt [2]. Van Irkoetsk gaat eene zijlijn naar Kiatka op de Mongoolsche grenzen, en van daar brengt de post, tegen dertig kopeken per woord, de tijdingen in veertien dagen naar Peking over. Deze draad nu, tusschen Ekaterinenburg en Nikolaevsk, was afgesneden, eerst aan gene zijde van Tomsk, en eenige uren later tusschen Tomsk en Kolivan.
Daarom had de czaar, na de mededeeling die generaal Kissoff hem voor de tweede maal gedaan had, slechts met deze enkele woorden geantwoord: »Een koerier terstond!”
De czaar stond eenige oogenblikken onbeweeglijk aan het venster van zijn werkkamer, toen de kamerdienaars op nieuw de deur openden. De grootmeester van politie verscheen op den drempel.
»Treed binnen, generaal,” zeide de czaar kortaf, »en zeg mij al wat gij weet van Ivan Ogareff.”
»Het is een uiterst gevaarlijk man, Sire,” antwoordde de grootmeester van politie.
»Hij had den rang van kolonel?”
»Ja, Sire.”
»Het was een schrander officier?”
»Zeer schrander, maar onmogelijk te beheerschen, en van eene toomelooze eerzucht, die voor niets terugdeinsde. Hij heeft zich opeens met kuiperijen ingelaten, en toen is hij door den grootvorst van zijn rang ontzet, en vervolgens naar Siberië verbannen.”
»Op welk tijdstip?”
»Twee jaar geleden. Na zes maanden in ballingschap geweest te zijn, heeft Uwe Majesteit hem genade geschonken, en is hij in Rusland teruggekomen.”
»En is hij sedert dat tijdstip niet naar Siberië teruggekeerd?”
»Ja, Sire, hij is er teruggekeerd, doch ditmaal vrijwillig,” antwoordde de grootmeester van politie. En hij voegde er bij op eenigszins zachteren toon: »Er was een tijd, Sire, dat, wanneer men naar Siberië ging, men er niet meer uit terug kwam!”
»Welnu, zoolang ik leef, is en zal Siberië een land zijn, waaruit men wel terugkomt!”
De czaar had het recht deze woorden met een wezenlijken trots uit te spreken, want hij heeft dikwijls door zijn vergevensgezindheid getoond dat de Russische rechtvaardigheid wist te vergeven.
De grootmeester van politie antwoordde niets, doch het was klaarblijkelijk, dat hij niet van halve maatregelen hield. Volgens hem, mocht niemand ooit meer het Oeral-gebergte overschrijden, die er eens door de gendarmen was overgezet. Onder de nieuwe regeering was het nu niet meer zoo, en de grootmeester van politie betreurde dit ten zeerste. Hoe! geene levenslange verbanning meer voor andere misdaden dan die gepleegd tegen het gemeene recht! Hoe! die politieke ballingen kwamen van Tobolsk, van Jakoetsk en van Irkoetsk terug! Waarlijk, de grootmeester der politie, aan de autocratische besluiten der ukazen gewend, kon die wijze van regeeren niet goedkeuren! Doch hij zweeg, totdat de czaar hem opnieuw ondervroeg.
De vragen lieten zich niet wachten.
»Is Ivan Ogareff,” vroeg de czaar, »niet eene tweede maal in Rusland teruggekeerd, na die reis in de Siberische provinciën, eene reis waarvan het ware doel onbekend is gebleven.”
»Hij is er teruggekeerd.”
»En, sedert dien terugkeer, heeft de politie zijn spoor verloren?”
»Neen, Sire, want een veroordeelde wordt slechts wezenlijk gevaarlijk van den dag af dat hem genade geschonken is!”
Het voorhoofd van den czaar fronste zich een oogenblik. Wellicht vreesde de grootmeester van politie te ver gegaan te zijn,—alhoewel zijne halsstarrigheid in zijne denkbeelden ten minste gelijk stond met de grenzenlooze verknochtheid die hij voor zijn meester koesterde; doch de czaar, deze zijdelingsche verwijten aangaande zijne binnenlandsche politiek minachtende, vervolgde kortaf de reeks zijner vragen:
»Waar was Ivan Ogareff het laatst?”
»In het gouvernement Perm.”
»In welke stad?”
»In Perm zelf.”
»Wat voerde hij daar uit?”
»Hij scheen daar niets uit te voeren, en zijn gedrag gaf niet de minste aanleiding tot verdenking.”
»Stond hij niet onder het toezicht der hooge politie?”
»Neen, Sire.”
»Wanneer heeft hij Perm verlaten?”
»Omstreeks de maand Maart.”
»Om waar naar toe te gaan?”
»Dat is mij niet bekend.”
»En sedert dit tijdstip weet men niet waar hij gebleven is?”
»Dat weet men niet.”
»Nu, ik weet het!” antwoordde de czaar. »Naamlooze berichten, die niet door de bureaux van politie gegaan zijn, zijn mij toegezonden, en volgens de feiten, die op het oogenblik aan gene zijde der grenzen plaats grijpen, heb ik alle reden te gelooven dat zij juist zijn!”
»Wil Uwe Majesteit hiermede zeggen,” riep de grootmeester van politie uit, »dat Ivan Ogareff de hand heeft in den inval der Tartaren!”
»Ja, generaal, en ik zal u vertellen, hetgeen gij niet weet. Ivan Ogareff, na het gouvernement Perm verlaten te hebben, is het Oeral-gebergte overgetrokken. Hij is Siberië binnengedrongen, in de Kirgiesche steppen, en hij heeft beproefd de zwervende stammen in opstand te brengen. Hij is toen weer naar het zuiden getrokken, tot in het vrije Turkestan. Daar, in de Khanaten Bokhara, Khokhand, Koendoez, heeft hij hoofden gevonden die bereid waren hunne Tartaarsche horden in de Siberische provinciën te doen binnendringen en een algemeenen inval in het Russische rijk in Azië uit te lokken. De beweging is heimelijk op touw gezet, doch zij is als een bliksemstraal uitgebarsten, en op het oogenblik zijn de wegen en middelen van verkeer tusschen West- en Oost-Siberië afgesneden! Daarenboven wil Ivan Ogareff, dorstende naar wraak, een aanslag op het leven van mijn broeder doen!”
De czaar had zich al pratende opgewonden en liep met rassche schreden heen en weer. De grootmeester van politie antwoordde niets, doch hij zeide tot zich zelven, dat, ten tijde toen de keizers van Rusland nooit gratie aan een banneling schonken, de plannen van Ivan Ogareff zich nooit zouden hebben verwezenlijkt.
Eenige oogenblikken verliepen gedurende welke hij het stilzwijgen bewaarde. Vervolgens den czaar naderende, die zich in een leuningstoel geworpen had:
»Uwe Majesteit,” zeide hij, »heeft zonder twijfel bevelen gegeven dien inval zoo snel mogelijk af te slaan?”
»Ja,” antwoordde de czaar. »Het laatste telegram dat Nijni-Oedinsk heeft kunnen bereiken, heeft de troepen van de gouvernementen Jeniseïsk, Irkoetsk, Jakoetsk, die der provinciën van de Amoer en van het meer Baïkal in beweging moeten stellen. Tegelijkertijd trekken de regimenten van Perm en van Nijni-Novgorod en de grenskozakken met geforceerden marsch naar het Oeralgebergte op; doch, ongelukkig, moeten er verscheidene weken verloopen alvorens zij zich tegenover de Tartaarsche kolonnes kunnen bevinden!”
»En is de broeder van Uwe Majesteit, Zijne Keizerlijke Hoogheid, de grootvorst, op het oogenblik afgezonderd in het gouvernement Irkoetsk, niet meer in rechtstreeksche verbinding met Moskou?”
»Neen.”
»Maar hij moet toch, door de laatste dépêches weten, welke maatregelen Uwe Majesteit genomen heeft en welke hulp hij te wachten heeft van de gouvernementen, die het dichtst bij dat van Irkoetsk gelegen zijn.”
»Hij weet zulks,” antwoordde de czaar, »maar hetgeen hij niet weet is, dat Ivan Ogareff, tegelijkertijd dat hij de rol van oproerling speelt, ook die van verrader vervult, en dat hij in hem een persoonlijken en verbitterden vijand heeft. Aan den grootvorst heeft Ivan Ogareff zijne eerste ongenade te danken, en het ergste van alles is dat hij dien man niet kent. Het plan van Ivan Ogareff is dus om zich naar Irkoetsk te begeven, en daar, onder een valschen naam zijne diensten aan den grootvorst aan te bieden. Na zijn vertrouwen gewonnen te hebben en wanneer de Tartaren Irkoetsk zullen berend hebben, zal hij de stad overleveren en met haar mijn broeder, wiens leven rechtstreeks bedreigd is. Dit weet ik door »mijne” berichten; dit weet de grootvorst niet en dit moet hij weten!”
»Welnu, Sire, een schrander, moedig koerier....”
»Ik wacht hem.”
»En hij moet spoed maken,” voegde de grootmeester van politie er bij, »want veroorloof mij er bij te voegen, Sire, Siberië is een land dat gunstig voor oproeren is!”
»Wilt gij hiermede zeggen, generaal, dat de ballingen met den vijand gemeene zaak zouden maken?” riep de czaar uit, die, bij deze verdachtmaking van den grootmeester van politie, zichzelf niet meester was....
»Dat Uwe Majesteit het mij niet ten kwade duide!” antwoordde stamelend de grootmeester van politie, want zijne ongerustheid en zijn argwaan hadden hem wel degelijk deze gedachte ingegeven.
»Ik houd de bannelingen toch voor vaderlandlievender!” hernam de czaar.
»Er zijn in Siberië andere veroordeelden dan die, welke voor staatkundige vergrijpen verbannen zijn,” antwoordde de grootmeester van politie.
»Die boosdoeners! O! generaal, wat die betreft, ik laat ze aan u over! Het is het uitvaagsel van het menschdom. Ze behooren tot geen land. De opstand of liever de inval is niet gericht tegen den Keizer, maar tegen Rusland, tegen dat land dat de ballingen nog eens hopen weer te zien, en dat zij zullen weerzien!.... Neen, nooit zal een Rus met een Tartaar samenspannen, om, al was het maar een uur, de Moskovitische macht te verzwakken!”
De czaar had gelijk aan de vaderlandsliefde te gelooven van hen, die de staatkunde slechts tijdelijk verwijderd hield. De vergevensgezindheid, die de grond was van zijne gerechtigheid, wanneer hij zelf daarvan de uitwerksels kon leiden; de zeer verzachtende maatregelen die hij genomen had in de toepassing der ukazen, eertijds zoo verschrikkelijk, waren voor hem een waarborg dat hij zich niet kon vergissen. Maar ook zonder dit machtige bestanddeel tot steun van den inval der Tartaren, waren de omstandigheden zeer ernstig, want het was te vreezen dat de Kirgiesche bevolking zich bij den vijand zou aansluiten.
De Kirgiezen zijn in drie horden verdeeld, de groote, de kleine en de middelhorde, die eene bevolking van twee millioen zielen uitmaken, en omtrent vier honderd duizend tenten bewonen. Van deze verschillende stammen zijn eenige onafhankelijk, terwijl andere de opperheerschappij erkennen, hetzij van Rusland, hetzij van de Khanaten Khiva, Khokhand en Bokhara, namelijk de geduchtste opperhoofden van Turkestan. De middelhorde is de rijkste, en tegelijk de aanzienlijkste, en hare legerplaatsen beslaan de geheele ruimte, gelegen tusschen de Sara-Soe, de Irtisch, de boven-Ichim, het meer Hadisang en het meer Aksakal. De groote horde, die de gewesten bewoont, gelegen ten westen van de middelhorde, strekt zich uit tot de gouvernementen Omsk en Tobolsk. Indien dus die Kirgiesche bevolkingen in opstand mochten geraken, dan zou dit de bemachtiging van Aziatisch-Rusland tengevolgen hebben, en allereerst de afscheiding van Siberië ten oosten van de Jeniseï.
Het is waar dat deze Kirgiezen, zeer onbedreven in het oorlog voeren, geene geregelde soldaten zijn, maar veeleer plunderaars, die des nachts, de karavanen aanvallen. Gelijk de heer Levchine gezegd heeft, »een gesloten front of een carré goede infanterie kan eene tienmaal talrijker massa Kirgiezen het hoofd bieden, en een enkel stuk geschut kan er eene ontzettende menigte van vernielen.”
Goed, maar dat carré goede infanterie moet altijd toch nog in het opgestane land aankomen en moeten de vuurmonden uit de geschutparken der Russische provinciën vervoerd worden, die twee à drie duizend wersten verwijderd zijn. Nu zijn, uitgenomen de rechtstreeksche weg die Ekaterinenburg met Irkoetsk verbindt, de steppen, dikwijls moerassig, niet gemakkelijk begaanbaar en verscheidene weken zouden er zeker noodig zijn om de Russische troepen in staat te stellen de Tartaarsche horden terug te slaan.
Omsk is het middelpunt der militaire organisatie in West-Siberië, die bestemd is de Kirgiesche bevolkingen in bedwang te houden. Daar zijn de grenzen, die deze ten deele onderworpen zwervende volken meer dan eens geschonden hebben, en aan het ministerie van oorlog had men alle reden te gelooven dat Omsk reeds zeer bedreigd werd. De linie der militaire koloniën, namelijk van die Kozakkenposten die van Omsk tot Semipalatinsk geëchelonneerd zijn, moest op verscheidene punten doorgebroken zijn. Nu was het te vreezen dat de »groote sultans” die over de Kirgiesche districten het bewind voeren, de heerschappij der Tartaren,—Muzelmannen gelijk zij,—vrijwillig aangenomen of er zich gedwongen aan onderworpen hadden, en dat bij den wrevel, door de dienstbaarheid te voorschijn geroepen, zich nog de haat zou voegen, veroorzaakt door de vijandige verhouding der Grieksche en Mahomedaansche godsdiensten.
Sedert lang, inderdaad, zochten de Tartaren van Turkestan en voornamelijk die van de Khanaten Bokhara, Khiva, Khokhand en Koendoez, de Kirgiesche horden aan de Moskovische heerschappij te ontrukken, zoo door geweld als door overreding.
Eenige woorden slechts over deze Tartaren.
De Tartaren behooren meer in ’t bijzonder tot twee afzonderlijke rassen, het Kaukasische ras en het Mongoolsche ras.
Het Kaukasische ras, dat, zooals Abel de Rémusat gezegd heeft, als het schoonheidstype van het Europeesch ras beschouwd wordt, bestaat uit Turken en Perzen.
Het zuiver Mongoolsche ras bevat de Mongolen, Mandsjoes en Thibetanen. De Tartaren, die toen het Russische rijk bedreigden, waren van Kaukasischen oorsprong en bewoonden meer in ’t bijzonder Turkestan. Dit uitgestrekte land is in verschillende Staten verdeeld, die door Khans geregeerd worden; daar vandaan de benaming Khanaten. De voornaamste Khanaten zijn die van Bokhara, van Khokhand, van Koendoez enz.
Op dit tijdstip was het belangrijkste en geduchtste Khanaat dat van Bokhara. Rusland had reeds verscheidene malen tegen zijne opperhoofden oorlog gevoerd, die uit een persoonlijk belang en om hen van juk te doen verwisselen, de onafhankelijkheid der Kirgiezen gesteund hadden tegen de Moskovitische heerschappij. Het toenmalige opperhoofd Feofar-Khan drukte de voetstappen zijner voorgangers.
Dit Khanaat Bokhara strekt zich van het noorden naar het zuiden uit, tusschen den zeven en dertigsten en een en veertigsten graad noorderbreedte, en van het oosten naar het westen, tusschen de een en zestigste en zes en zestigste graden oosterlengte, over eene oppervlakte van ongeveer tien duizend vierkante mijlen.
Men telt in dezen Staat eene bevolking van twee millioen vijf maal honderd duizend inwoners, een leger van zestig duizend man, in tijd van oorlog tot het drievoudige gebracht, en dertig duizend ruiters. Het is een land rijk aan voortbrengsels uit het dieren-, planten- en delfstoffenrijk, en dat door de toetreding der provinciën Balkh, Aukoï en Meïmaneh vergroot is geworden. Het heeft negentien aanzienlijke steden. Bokhara, omgeven van een muur van meer dan acht Engelsche mijlen in omtrek en door torens verdedigd, eene beroemde stad, vermaard door de Avicennes en andere geleerden der Xe eeuw, wordt als het middelpunt der muzelmansche geleerdheid beschouwd en gerangschikt onder de beroemdste steden van Middel-Azië; Samarkand, waar zich het graf van Tamerlan bevindt, en dat beroemde paleis, waar men dien blauwen steen bewaart, waarop elke nieuwe Khan bij zijne troonsbeklimming moet gaan zitten, wordt door eene buitengewoon sterke citadel verdedigd; Karschi, met zijn driedubbelen muur, in een oasis gelegen, die door een moeras omringd is, vol schildpadden en hagedissen, is bijna onneembaar; Tsjardsjoeïe wordt door eene bevolking van bij de twintig duizend zielen verdedigd; eindelijk vormen Katta-Koergan, Noerata, Djizah, Païkande, Karakoel, Khoezar enz. een net van steden die moeilijk te bedwingen zijn. Dit Khanaat Bokhara, door zijne bergen beschermd, afgezonderd door zijne steppen, is dus een wezenlijk geduchte Staat, en Rusland zou genoodzaakt zijn belangrijke strijdkrachten daartegen over te stellen.
Het was nu de eerzuchtige en woeste Feofar, die in dat gedeelte van Tartarije regeerde. Gerugsteund door de andere Khans, voornamelijk die van Knokhand en van Koendoez, wreede en roofzuchtige krijgslieden, altijd klaar om aan ondernemingen deel te nemen waarvoor de Tartaren een sterke natuurlijke neiging hebben, geholpen door al de opperhoofden der horden van Middel-Azië, had hij zich aan het hoofd geplaatst van dien inval, waarvan Ivan Ogareff de ziel was. Die verrader, evenzeer door zinnelooze eerzucht als door haat gedreven, had de beweging der troepen zoo geregeld, dat hij den grooten Siberischen weg had afgesneden. Het was waarlijk dwaas van hem te meenen, het Moskovische rijk tot wijken te kunnen brengen. Onder zijn invloed, had de emir—dit is de titel dien de Khans van Bokhara aannemen—zijne horden over de Russische grenzen gejaagd. Hij was in het gouvernement van Semipalatinsk gevallen, en de Kozakken die zich op dat punt in klein aantal bevonden, hadden voor hem moeten wijken. Hij was voorbij het meer Balkhach voortgerukt, op zijn doortocht de Kirgiesche bevolking medeslepende. Al plunderende, verwoestende, in dienst nemende degenen, die zich onderwierpen, en gevangen nemende hen, die weerstand boden, rukte hij voort van stad tot stad, gevolgd door dien nasleep van een oostersch vorst, dien men zijne hofhouding zou kunnen noemen, zijne vrouwen en slavinnen, en zulks met de onbeschaamde driestheid van een nieuwerwetschen Gengis-Khan.
Waar bevond hij zich op dit oogenblik? Tot hoever waren zijne soldaten voortgerukt op het uur dat de tijding van den inval te Moskou aankwam? Op welk punt van Siberië hadden de Russische troepen moeten wijken? men kon het niet te weten komen. Het verkeer was afgebroken. Was de draad tusschen Kolivan en Tomsk door eenige veldontdekkers van het Tartaarsche leger vernield geworden, of had de emir de provinciën van de Jeniseïsk bereikt? Was geheel westelijk Neder-Siberië in opstand? Strekte zich de opstand reeds tot de oostelijke gewesten uit? Men kon ’t niet zeggen. De eenige werkzame kracht, die noch koude, noch warmte ducht, die noch door de gestrengheid van den winter, noch door de brandende hitte van den zomer kan tegengehouden worden, die met de snelheid van den bliksem vliegt, de electrieke stroom namelijk, kon niet meer door de steppen heensnellen, en het was niet meer mogelijk den grootvorst, in Irkoetsk opgesloten, voor het gevaar te waarschuwen, waarmede het verraad van Ivan Ogareff hem bedreigde. Een koerier alleen kon den afgebroken stroom vervangen. Die man zou een zekeren tijd noodig hebben, om vijf duizend twee honderd wersten (5.523 kilometer) af te leggen, die Moskou van Irkoetsk scheiden. Om door de gelederen der oproerlingen en der overweldigers heen te komen, moest hij, om zoo te zeggen, tegelijk een bovenmenschelijken moed en een bovenmenschelijk verstand ontwikkelen. Maar met een goed hoofd en een moedig hart komt men ver.
»Zal ik dat goede hoofd en dat moedige hart vinden?” vroeg de czaar zich zelf af.