EEN FEEST IN HET NIEUWE PALEIS.
»Sire, al weer eene dépêche.”
»Van waar?”
»Van Tomsk.”
»Is de telegraafdraad voorbij de stad gebroken?”
»Hij is sedert gisteren gebroken.”
»Zend van uur tot uur een telegram naar Tomsk, generaal, en dat men mij op de hoogte houde.”
»Ja, sire,” antwoordde generaal Kissoff.
Deze woorden werden ’s morgens te twee uur gewisseld op het oogenblik, dat het feest, in het Nieuwe Paleis gegeven, in vollen gang was.
Gedurende die soirée hadden de regimenten van Preobrajensky en Paulowsky de uitgezochtste polka’s, mazurka’s, scottisch’s en walsen van hun répertoire onophoudelijk gespeeld. De dansparen vermenigvuldigden tot in het oneindige door de schitterende zalen van het paleis, dat zich in de nabijheid van het oude steenen huis bevond, waarin eertijds zoovele verschrikkelijke drama’s hadden plaats gehad, en waarin de echo’s dezen nacht ontwaakten om de tonen van de muziek der quadrilles te doen weerkaatsen.
De hofmaarschalk werd trouwens zeer goed in zijne moeilijke taak ter zijde gestaan. De grootvorsten en hunne adjudanten, de kamerheeren van dienst, de officieren van het paleis, bestuurden en regelden zelf de dansen. De grootvorstinnen, met diamanten bedekt, de staatsdames in gala-kostuum, gaven wakker aan de vrouwen der hooge militaire en burgerlijke beambten van de oude witte steenen stad, het voorbeeld.... Ook, toen het sein tot de polonaise weerklonk, toen de genoodigden van alle rangen aan deze gekadenseerde promenade deelnamen, die bij de plechtigheden van dien aard al het gewicht van een nationale dans heeft, bood het mengsel der met kant afgezette japonnen en der met decoratiën versierde uniformen een onbeschrijfelijk gezicht aan, onder het licht van honderd kristallen kronen, dat de weerkaatsing der groote spiegels nog vertienvoudigde.
Het was oogverblindend!
Daarenboven deed de groote zaal, de grootste van het Nieuwe Paleis, aan dien prachtigen stoet van hooge personages en schitterend getooide vrouwen eene welverdiende eer aan. Het gewelf met verguldsels rijk versierd, die door den tijd reeds een weinig dof waren geworden, was als met flikkerende sterren bezaaid. De met goud geborduurde gordijnen en portières hulden zich in purperkleurige warme tonen, die op de afwisselende prachtige plooien der zware stof weerkaatsten.
Door de beslagen glazen der boogvormige ramen verspreidde zich het licht, waarvan de zalen schitterden, getemperd en als de weerkaatsing van een brand naar buiten en stak zeer af bij de duisternis, welke gedurende eenige uren dit schitterend paleis omhulde. Ook trok die tegenstelling de aandacht van de genoodigden, die niet meedansten. Als zij voor de ramen bleven stilstaan, konden zij eenige torens flauw onderscheiden, die hier en daar hunne zeer groote schaduwbeelden afteekenden.
Onder de gebeeldhouwde balkons zagen zij talrijke schildwachten, bedaard met het geweer op den schouder heen- en weergaan, wier puntige helm als door eene vuurpluim versierd was, voortgebracht door het licht dat zich naar buiten verspreidde. Ze hoorden ook de stappen der patrouilles, die op de vierkante blauwe steenen met misschien nog meer juistheid op de maat liepen dan de voeten der dansers op den vloer der zalen. Van tijd tot tijd herhaalde zich het geroep der schildwachten van post tot post, en soms mengde zich een trompetsein met de accoorden van het orkest en wierp zijn schelle tonen te midden der algemeene harmonie.
Lager nog, vóór den gevel, zonderden zich donkere massa’s van de groote lichtkegels af, door het licht van het Nieuwe Paleis gevormd. Het waren booten die eene rivier afvoeren, waarvan de wateren hier en daar door het trillend schijnsel van eenige vuurbakens verlicht, het lage gedeelte der terrassen bespoelden.
De voornaamste persoon van het bal, hij die het feest gaf en aan wien generaal Kissoff een titel toegekend had, voor vorsten bestemd, was eenvoudig in eene officiers-uniform der jagers van de garde gekleed. Het was van hem geene gemaaktheid, maar de gewoonte van een man die weinig met pralerij opheeft. Zijne kleeding stak dus af bij de prachtige kostumes om hem heen, en zelfs vertoonde hij zich meestal zoo te midden van zijn geleide, bestaande uit Georgiërs, Kozakken, Lesghiërs, schitterende eskadrons, in de prachtvolle uniformen van den Kaukasus uitgedost.
Dit personage, groot van gestalte, met een vriendelijk uiterlijk, een kalm gelaat, doch met een voorhoofd dat zorgen verried, ging van de eene groep naar de andere, maar sprak weinig en scheen zelfs slechts een flauwe aandacht te wijden, hetzij aan de vroolijke gesprekken der jonge genoodigden, hetzij aan de meer ernstige der hooge staatsambtenaren of der gezanten, die bij hem de voornaamste staten van Europa vertegenwoordigden. Twee of drie dezer scherpzinnige diplomaten—gelaatkundigen van beroep—hadden wel gemeend op het gelaat van hun gastheer eenig teeken van ongerustheid op te merken, waarvan de oorzaak hun ontsnapte, doch geen enkele zou zich veroorloofd hebben, hem hierover te ondervragen. In alle geval wilde de officier der jagers van de garde ongetwijfeld geenszins dat de geheime gedachten, die hem bezighielden, het feest zouden storen, en, daar hij een dier zeldzame vorsten was, aan wien bijna eene geheele wereld zich gewend heeft te gehoorzamen, zelfs in gedachte, werden de genoegens van het bal geen oogenblik belemmerd.
Generaal Kissoff wachtte evenwel dat de officier, aan wien hij zooeven de dépêche uit Tomsk had medegedeeld, hem het bevel zou geven zich te verwijderen, doch deze bleef het stilzwijgen bewaren. Hij had het telegram genomen, het gelezen en zijn gelaat werd hoe langer hoe somberder. Hij bracht zijn hand zelfs onwillekeurig aan het gevest van zijn degen en vervolgens aan zijne oogen, die hij een oogenblik bedekte. Men zou gezegd hebben dat het schelle licht hem smartte, en dat hij de duisternis zocht, om beter tot zich zelven in te keeren.
»Dus,” hernam hij, na generaal Kissoff naar het venster geleid te hebben, »zijn wij sedert gisteren niet meer in verbinding met den grootvorst?”
»Neen, Sire, en het is te vreezen dat de dépêches weldra niet meer over de Siberische grenzen kunnen.”
»Maar de troepen der provinciën van de Amoer en van Irkoetsk, alsmede die van Transbaikalië, hebben order ontvangen onmiddellijk naar Irkoetsk op te rukken.”
»Dit bevel is met het laatste telegram gegeven, dat wij gene zijde van het meer Baïkal hebben kunnen doen bereiken.”
»Wat de gouvernementen van de Jeniseï, van Omsk, van Semipalatinsk, van Tobolsk betreft, zijn wij altijd nog met hen in rechtstreeksche verbinding sedert het begin van den inval?”
»Ja, Sire, onze dépêches bereiken hen nog, en wij hebben op het oogenblik de zekerheid, dat de Tartaren niet tot over de Irtisch en de Obi voortgerukt zijn.”
»En heeft men geen enkel bericht van den verrader Ivan Ogareff?”
»Geen enkel,” antwoordde generaal Kissoff. »De directeur van politie kan niet met zekerheid bevestigen of hij de grenzen over is of niet.”
»Dat zijn signalement dan onmiddellijk opgezonden worde naar Nijni-Novgorod, naar Perm, naar Ekaterinenburg, naar Kassimow, naar Tioemen, naar Ichim, naar Omsk, naar Elamsk, naar Kolivan, naar Tomsk, naar alle telegraafkantoren, waarmede de draad nog in gemeenschap is!”
»De bevelen van Uwe Majesteit zullen oogenblikkelijk ten uitvoer worden gebracht,” antwoordde generaal Kissoff.
»Geen woord over dit alles!”
Na een teeken van eerbiedige instemming gegeven en een diepe buiging gemaakt te hebben, mengde zich de generaal onder de menigte en verliet hij weldra de zalen, zonder dat zijn vertrek werd opgemerkt.
Wat den officier betreft, hij bleef eenige oogenblikken peinzend, en toen hij zich weer onder de verschillende groepen van militairen en staatslieden kwam mengen, die zich op verscheidene punten der zalen hadden gevormd, had zijn gelaat al de kalmte hernomen, die hem een oogenblik verlaten had.
Evenwel was het ernstige feit, dat tot deze snel gewisselde woorden aanleiding gegeven had niet zoo onbekend, als de officier der jagers van de garde en generaal Kissoff meenden. Men sprak er wel is waar niet officieel, ja zelfs niet officieus over, wijl de tongen niet los waren, doch eenige hooge personages waren van de gebeurtenissen, die over de grenzen plaats vonden, min of meer juist onderricht geworden. In alle geval, hetgeen zij misschien slechts ten naastenbij wisten, waarover zij zich niet onderhielden, zelfs niet tusschen leden van het corps diplomatique, hierover spraken in stilte twee genoodigden, die zich op deze receptie in het Nieuwe Paleis noch door uniform noch door eenige decoratie onderscheidden. Deze schenen vrij juiste inlichtingen ontvangen te hebben.
Hoe, langs welken weg, door welke tusschenkomst wisten deze twee eenvoudige stervelingen hetgeen zoovele andere personages, zelfs de aanzienlijkste, ter nauwernood vermoedden? Men zou het niet kunnen zeggen. Bezaten zij de gave van in de toekomst te zien?
Bezaten zij een zesde zintuig dat hen in staat stelde verder te zien dan de begrensde blik van den mensch reikt? Hadden zij een bijzonder fijnen reuk om de verborgenheden op te sporen? Had hunne natuur dan eene andere gedaante aangenomen, dank zij deze gewoonte, bij hen een tweede natuur geworden, om te leven van navorsching en door navorsching? Men zou in verzoeking gebracht worden dat aan te nemen.
Van deze beide mannen, was de eerste een Engelschman, de andere een Franschman, beiden lang en mager,—deze bruin als de zuidelijke bewoners van Provence, gene rosachtig als een gentleman van Lancashire. De Anglo-Normandiër, afgemeten, koud, flegmatisch, weinig beweeglijk en weinig spraakzaam, scheen niet te spreken of gebaren te maken, dan wanneer eene veer losging, die bij geregelde tusschenpoozen werkte. De Gallo-Romein, levendig, dartel, drukte zich te gelijkertijd met de lippen, oogen en handen uit, twintig manieren hebbende om zijne gedachte terug te geven, terwijl de Anglo-Normandiër er slechts éene scheen te hebben, die onveranderlijk in zijn brein gestereotypeerd was.
Dat verschil in natuur zou den minst opmerkzamen mensch getroffen hebben; maar een gelaatkundige, deze twee vreemdelingen een weinig van nabij beschouwende, zou de natuurkundige tegenstelling die hen kenmerkte, juist bepaald hebben door te zeggen: dat zoo de Franschman geheel en al »oog,” de Engelschman geheel en al »oor” was.
Inderdaad, was het gezichtswerktuig van den een door het gebruik tot eene bijzondere volmaaktheid gebracht. Het netvlies van zijn oog moet even gevoelig zijn als dat van die goochelaars, die eene kaart herkennen alleen door vlug af te nemen of enkel door de plaatsing eener valsche kaart, die door niemand anders wordt opgemerkt. De Franschman bezat dus in hooge mate hetgeen men noemde: »het geheugen van het oog.”
De Engelschman daarentegen, scheen in het bijzonder geschapen te zijn, om te luisteren en te hooren. Was zijn gehoorwerktuig eenmaal door den klank eener stem getroffen, dan kon hij die niet meer vergeten, en na tien, ja na twintig jaar, zou hij ze nog onder duizenden herkend hebben. Zijne ooren hadden wel niet het vermogen zich te bewegen, zooals die der dieren, die met groote gehoorschelpen voorzien zijn; maar, daar de geleerden bewezen hebben, dat de ooren van den mensch slechts bijna onbeweeglijk zijn, zou men kunnen beweren dat die van bovengenoemden Engelschman, door ze op te zetten en ze heen en weer te wringen, de klanken zochten op te vangen op eene, zelfs voor den natuurvorscher bijna onmerkbare wijze.
Het is noodig hier te doen opmerken, dat deze volmaaktheid van gezicht en gehoor deze twee mannen in hun bedrijf uitstekend te pas kwam, want de Engelschman was correspondent van de Daily Telegraph, en de Franschman, correspondent van .... Van welk dagblad of van welke dagbladen, dit zeide hij niet en wanneer men ’t hem vroeg, dan antwoordde hij vroolijk weg, dat hij met zijne »nicht Madeleine” briefwisseling hield. In de werkelijkheid was deze Franschman, onder een schijn van luchtigheid, zeer slim en zeer scherpzinnig. Links en rechts pratende, misschien om beter zijn lust om nieuws te vernemen te verbergen, liet hij zich nooit uit. Zijne praatzucht zelfs diende hem tot zwijgen, en misschien was hij meer geheimhoudend en omzichtig dan zijn collega van de Daily Telegraph. En zoo beiden dit feest bijwoonden, dat in het Nieuwe Paleis in den nacht van 15 op 16 Juli gegeven werd, dan was ’t in hoedanigheid van dagbladschrijvers, en tot groote stichting hunner lezers.
Het spreekt vanzelf, dat deze beide mannen vol ijver voor hunne zending waren, door onophoudelijk als fretten het spoor te volgen van het meest onverwachte nieuws; niets schrikte hen af, mits zij maar slaagden; zij hadden de onverstoorbare koelbloedigheid en de werkelijke stoutheid van lieden van het vak. Als wezenlijke jockeys van die steeple chase, van de jacht op nieuwstijdingen, klommen zij over hagen, trokken zij rivieren over, sprongen zij de hindernissen over met de weergalooze drift van volbloed-paarden die de eersten willen zijn of sterven!
Overigens lieten hunne dagbladen ’t hun aan geen geld ontbreken als zijnde dit de zekerste, snelste en volmaaktste stof die tot nu toe bekend is om nieuwstijdingen te bekomen. Men moet er ook tot hunne eer bijvoegen, dat geen van beiden zich ooit met het bijzondere leven bemoeiden, en dat zij dan alleen werkten, wanneer staatkundige en maatschappelijke belangen in het spel waren. In éen woord, zij oefenden hetgeen men sedert eenige jaren noemt, »het groote staatkundige en militaire verslaggeversschap” uit.
Alleen zal men zien, wanneer men ze van nabij gadeslaat, dat zij den meesten tijd eene zonderlinge manier hadden om de feiten te beschouwen en vooral hunne gevolgen, daar ieder van hen zijne eigen manier »van zien en van waardeeren” had. Doch daar het met hunne taak ernst was, en zij zich niet ontzagen, wanneer het te pas kwam, zou het leelijk geweest zijn hen hierover te laken.
De Fransche correspondent heette Alcide Jolivet. Harry Blount was de naam van den Engelschen correspondent. Zij ontmoetten elkander voor den eersten keer op het feest in het Nieuwe Paleis, waarvan zij in hun dagblad een verslag moesten geven. Het verschil van hun karakter, gevoegd bij een zekere jalousie de metier, moest hun vrij weinig genegenheid voor elkander inboezemen. Evenwel vermeden zij elkander niet en zochten veeleer elkander wederkeerig te polsen omtrent het nieuws van den dag. Zij waren, alles wel beschouwd, twee jagers, op hetzelfde jachtveld met gelijke behoedzaamheid jagende. Hetgeen de een miste, kon door den ander geschoten worden, en dezen tot voordeel strekken;—ook hun eigenbelang bracht mede dat zij in de gelegenheid waren, elkander te zien en te verstaan.
Dien avond lagen zij dus beiden op de loer. Er was werkelijk iets in de lucht.
»Al waren het slechts een zwerm wilde eendvogels,” zeide Alcide Jolivet tot zichzelf, »dan is ’t wel een schot waard!”
De twee correspondenten geraakten dus gedurende het bal met elkander in gesprek, eenige oogenblikken nadat generaal Kissoff zich verwijderd had, en beproefden elkander een weinig te polsen.
»Vraiment, monsieur, cette petite fête est charmante”, (»Inderdaad, dit feest is betooverend,”) zeide op een beminnelijken toon Alcide Jolivet, die met deze bij uitnemendheid Fransche spreekwijze het gesprek meende te moeten beginnen.
»Ik heb reeds getelegrapheerd: Splendid!” antwoordde Harry Blount koel, die dit woord gebruikte, omdat het in het bijzonder elke soort van bewondering van den burger van het Vereenigde Koninkrijk uitdrukt.
»Ik heb evenwel gemeend,” voegde Alcide Jolivet er bij, »tegelijkertijd aan mijne nicht te moeten seinen....”
»Uwe nicht!....” herhaalde Harry Blount met verwondering, terwijl hij zijn collega in de rede viel.
»Ja,” hernam Alcide Jolivet, »mijne nicht Madeleine.—Met haar houd ik briefwisseling. Mijne nicht is gaarne snel en goed onderricht.... Ik heb dus gemeend haar te moeten seinen, dat ik, gedurende het feest, eene zekere somberheid op het gelaat van den vorst heb meenen te bespeuren.”
»Wat mij betreft, hij is mij nog al schitterend voorgekomen,” antwoordde Harry Blount, die misschien zijne gedachte hieromtrent wilde verbergen.
»En natuurlijk hebt gij hem doen schitteren in de kolommen van de Daily Telegraph?”
»Zeer zeker.”
»Herinnert gij u, mijnheer Blount,” zeide Alcide Jolivet, »hetgeen er te Zakret in 1812 is voorgevallen?”
»Ik herinner ’t mij alsof ik er bij geweest was, mijnheer,” antwoordde de Engelsche correspondent.
»Dan zult gij wel weten,” hernam Alcide Jolivet, »dat, te midden van een feest te zijner eere gegeven, men keizer Alexander kwam mededeelen, dat Napoleon de Niemen met de voorhoede van het Fransche leger was overgetrokken. De keizer verliet evenwel het feest niet, en, ondanks de ernstige tijding, die hem zijn rijk kon kosten, liet hij niet meer ongerustheid blijken....”
»Dan onze gastheer heeft laten blijken, toen generaal Kissoff hem mededeelde dat de telegraafdraden tusschen de grenzen en het gouvernement Irkoetsk afgebroken waren.”
»Ha! die bijzonderheid is u bekend?”
»Ze is mij bekend.”
»Wat mij betreft, ik zou moeilijk onwetendheid kunnen voorwenden, daar mijn laatste telegram tot Oedinsk gegaan is,” merkte Alcide Jolivet met eene zekere voldoening op.
»En het mijne slechts tot Krasnoïarsk,” antwoordde Harry Blount met niet minder voldoening.
»Dan zult gij ook weten dat orders naar de troepen van Nikolaevsk zijn gezonden?”
»Ja, mijnheer, terzelfder tijd dat men aan de Kozakken van het gouvernement Tobolsk telegrapheerde om zich te verzamelen.”
»Niets is meer waar, mijnheer Blount, die maatregelen waren mij insgelijks bekend, en geloof maar, dat mijn lieve nicht morgen er reeds iets van vernemen zal!”
»Precies zooals de lezers van de Daily Telegraph ’t ook zullen vernemen, mijnheer Jolivet.”
»Daar hebt ge ’t. Wanneer men alles ziet wat er omgaat!...”
»En wanneer men naar alles luistert wat er gezegd wordt!...”
»Een belangrijke veldtocht om te volgen, mijnheer Blount.”
»Ik zal hem volgen, mijnheer Jolivet.”
»Dan is ’t wel mogelijk dat wij elkaar op een terrein zullen terugvinden dat minder veilig zal zijn dan de vloer van deze zaal!”
»Minder veilig, ja, maar...”
»Maar ook minder glad!” antwoordde Alcide Jolivet, die zijn collega tegenhield op het oogenblik dat deze, achteruitgaande, het evenwicht verloor.
En hierop verlieten de beide correspondenten elkander, verheugd te weten dat de een den ander geen vlieg had afgevangen. Inderdaad zij waren beiden even goed op de hoogte.
Op dit oogenblik gingen de deuren der, aan de groote zaal, belendende zalen open. Daar stonden verscheiden zeer groote prachtig gedekte tafels, met kostbaar porselein en gouden vaatwerk in overvloed voorzien. Op de tafel, die in het midden stond, en voor de prinsen, de prinsessen en de leden der diplomatie bestemd was, schitterde een zeer kostbaar middenstuk, uit de Londensche fabrieken afkomstig en rondom dit meesterstuk van goud- en zilverwerk glinsterden, onder het licht der kristallen kronen, de duizend stukken van het bewonderenswaardigste servies, dat ooit de fabrieken van Sèvres verlaten had.
De genoodigden van het Nieuwe Paleis begaven zich nu naar de zalen van het soupé. Op dit oogenblik naderde generaal Kissoff, die binnenkwam, schielijk den officier der jagers van de garde.
»Wel?” vroeg deze driftig, zooals hij den eersten keer gevraagd had.
»De telegrammen gaan niet verder dan Tomsk, Sire.”
»Een koerier, terstond!”
De officier verliet de groote zaal en ging in eene groote kamer daarnaast. Het was een werkvertrek, zeer eenvoudig met oude eikenhouten meubels gemeubileerd, en gelegen in een der hoeken van het Nieuwe Paleis. Aan den muur hingen eenige schilderijen, onder anderen verscheidene doeken van Horace Vernet.
De officier opende driftig het venster, alsof er geen zuurstof meer in zijn longen aanwezig was, en ging op een ruim balkon de zuivere lucht genieten, die men in een heerlijken nacht van de maand Juli inademt.
In den helderen maneschijn zag hij een verstrekte ruimte zich afronden, waarin zich twee hoofdkerken, drie paleizen en een tuighuis verhieven. Rondom die omwalling teekenden zich duidelijk drie steden af: Kitaï-Gorod, Beloï-Gorod, Zemliamoï-Gorod, onmetelijke Tartaarsche, Europeesche en Chineesche wijken, die door de minarets, de torens van drie honderd kerken met groene koepeldaken, waarop een zilveren kruis prijkte, beheerscht werden. Eene kleine rivier, met kronkelenden loop, weerkaatste hier en daar de stralen van de maan. Het geheel vormde een merkwaardig mozaïek van verschillend geverfde huizen, samengevat als in eene uitgestrekte lijst van tien mijlen.
Deze rivier was de Moskowa, die stad was Moskou, die verstrekte ruimte was het Kremlin, en de officier der jagers van de garde die, met over elkander geslagen armen, met een peinzend gelaat, onverschillig naar het gedruisch luisterde, die zich uit het Nieuwe Paleis over de oude Moskovische stad verspreidde, was de czaar.