IN DE STEPPE.

Michael Strogoff en Nadia waren dus andermaal vrij, zoo als zij het gedurende het eind weg van Perm naar de oevers der Irtisch waren geweest. Maar hoe waren hunne reisomstandigheden veranderd! Toen verzekerden eene gemakkelijke tarentass, dikwijls vernieuwde vóorspannen en goed onderhouden pleisterplaatsen hun eene snelle reis. Nu waren zij te voet, in de onmogelijkheid zich een vervoermiddel te verschaffen, zonder hulpmiddelen, niet wetende hoe in hunne nooddruft te voorzien en met nog vier honderd wersten om afteleggen! En bovendien zag Michael Strogoff nu slechts door de oogen van Nadia.

En den vriend, dien het toeval hun geschonken had, waren zij, onder de ongunstigste omstandigheden, kwijt geraakt.

Michael Strogoff had zich op den berm van den weg neder geworpen. Nadia stond op een woord van hem te wachten om zich weder op weg te begeven.

Het was tien uur ’s avonds. Sedert drie en een half uur was de zon achter den gezichteinder verdwenen. Er was geen huis, geene hut te bespeuren. De laatste Tartaren verdwenen in de verte. Michael Strogoff en Nadia waren geheel verlaten.

»Wat zullen ze met onzen vriend doen?” riep het meisje uit. »Arme Nikolaas! Onze ontmoeting is u wel zeer noodlottig geweest!”

Michael Strogoff antwoordde niet.

»Michael,” hernam Nadia, »gij weet toch hoe hij u verdedigd heeft, toen gij de speelbal der Tartaren waart; dat hij zijn leven voor mij gewaagd heeft?”

Michael Strogoff bleef zwijgen. Waar dacht hij aan, zoo als hij daar onbeweeglijk nederzat met het hoofd in de handen geleund? En daar hij Nadia geen antwoord gaf, was het de vraag of hij ’t hoorde dat zij hem toesprak?

Ja! hij hoorde haar, want toen het meisje er bijvoegde:

»Waar moet ik u heenleiden, Michael?”

Antwoordde hij, »naar Irkoetsk!”

»Langs den grooten weg?”

»Ja, Nadia.”

Michael Strogoff was nog steeds de man die gezworen had zijn doel te zullen bereiken, wat er ook gebeuren mocht. Den grooten weg volgen, was den kortsten weg te nemen. Indien de voorhoede der troepen van Feofar-Khan zich vertoonde, zou het tijds genoeg wezen om den zijweg in te slaan.

Nadia greep de hand van Michael Strogoff weder, waarna zij hun weg vervolgden.

Den anderen morgen, 12 September, hielden beiden, twintig wersten verder, even op bij het stadje Toeloenowskoë. De plaats was afgebrand en ledig. Den geheelen nacht door had Nadia opgelet of het lijk van Nikolaas niet op den weg was achtergelaten, maar vruchteloos doorzocht zij de bouwvallen, bekeek zij de lijken. Nikolaas scheen tot dusverre gespaard te zijn. Maar was hij niet bestemd om in het kamp van Irkoetsk eenige vreeselijke foltering te ondergaan?

Nadia, die van honger uitgeput was, waaraan haar makker ook vreeselijk leed, was zoo gelukkig in een huis van het stadje eenig gedroogd vleesch te vinden en eenige »soekharis” of stukken brood die, door uitdamping gedroogd, gedurende een onbepaalden tijd hunne voedende eigenschappen behouden. Michael Strogoff en het meisje belaadden zich met wat zij maar dragen konden. Voedsel was hun dus voor onderscheidene dagen verzekerd en wat het water betreft, dit zou hun in eene streek, door duizenden zijstroompjes der Angara doorsneden, niet ontbreken.

Zij gingen weder op weg. Michael Strogoff liep met een vasten stap en hield dien niet in dan ter wille van zijne gezellin. Nadia, die niet achter wilde blijven, spande zich in om te loopen. Gelukkig kon haar makker niet zien, hoe ellendig zij er door vermoeidheid uitzag.

Michael Strogoff voelde het echter.

»Uwe krachten zijn uitgeput, arm kind,” zeide hij somtijds.

»Neen,” was haar antwoord.

»Nadia, als gij niet meer kunt loopen, zal ik u dragen.”

»Ja, Michael.”

Op dezen dag moest het riviertje Oka overgestoken worden. Maar het was doorwaadbaar en de overtocht leverde dus geene moeielijkheid op.

Het was eene bedekte lucht en eene draaglijke temperatuur. Het was echter te vreezen dat het weder regenachtig zou worden, waardoor hunne ellende nog zou toenemen. Zelfs vielen er eenige stortbuien, maar zij hielden niet aan.

Zoo liepen zij steeds door, hand in hand, weinig sprekende en Nadia maar vooruit- en achterwaarts kijkende. Tweemaal daags hielden zij stil. ’s Nachts rustten zij zes uur. In sommige hutten vond Nadia nog eenig schapenvleesch, in dit land zoo overvloedig, dat het niet meer dan twee en een halve kopek per pond geldt.

Maar een lastdier, waarop Michael Strogoff gehoopt had, was in de geheele streek niet te vinden. Paard, kameel, alles was gedood of medegenomen. Zij moesten dus maar steeds te voet deze oneindige steppe oversteken. Er ontbraken geene sporen van de derde Tartaarsche kolonne, die zich op Irkoetsk richtte. Hier een dood paard, daar een verlaten wagen. De lijken van ongelukkige Siberiërs waren, vooral bij den ingang der dorpen, langs den weg verspreid. Nadia, haar afschrik bedwingende, bekeek ze allen!....

Ten slotte lag het gevaar niet vooruit, maar achter hen. De voorhoede van het hoofdleger van den emir, door Ivan Ogareff aangevoerd, kon zich ieder oogenblik vertoonen. De schuiten van de beneden-Jeniseï afgezonden, moesten nu te Krasnoïarsk zijn aangekomen en den overtocht van den stroom dadelijk mogelijk maken. De weg lag dan voor de overweldigers open. Tusschen Krasnoïarsk en het meer Baïkal kon geen enkel Russisch korps hem dan versperren. Michael Strogoff was dus voorbereid op de aankomst der Tartaarsche veldontdekkers.

Nadia besteeg dan ook op elke rustplaats, eene of andere hoogte en keek van daar, met alle aandacht, in eene westelijke richting; maar geen enkel stofwolkje verraadde de verschijning eener ruiterbende.

Vervolgens werd de tocht voortgezet, en als Michael Strogoff voelde dat hij Nadia moest voortslepen, kortte hij zijn pas in. Zij praatten weinig en enkel over Nikolaas. Het meisje bracht alles wat die makker van een paar dagen voor hen geweest was, in herinnering.

In zijne antwoorden aan haar liet Michael Strogoff altijd eenige hoop doorschemeren, ofschoon hij die zelf niet koesterde; want hij wist dat de ongelukkige den dood niet zou ontkomen.

Eens zeide Michael Strogoff tot het meisje:

»Nadia, gij spreekt nooit meer over mijne moeder?”

Nadia wilde niet over zijne moeder spreken. Waartoe zijne smart weder te verlevendigen? Was de oude Siberische vrouw niet dood? Had haar zoon niet den laatsten kus gedrukt op dat lijk, dat op de bergvlakte van Tomsk lag uitgestrekt?

»Kom Nadia,” sprak Michael Strogoff, »spreek mij over haar! Gij zult er mij genoegen mee doen!”

En toen deed Nadia wat zij tot dusver niet gedaan had. Zij verhaalde alles wat er tusschen Marfa en haar sedert hunne ontmoeting te Tomsk, waar zij elkander voor het eerst zagen, was voorgevallen. Zij vertelde hoe een onverklaarbaar instinct haar tot de bejaarde gevangene gedreven had, zonder dat zij haar kende; welke zorgen zij aan haar had gewijd en welke bemoediging zij van haar ontvangen had. Destijds was Michael Strogoff voor haar niemand anders dan Nikolaas Korpanoff.

»Dien ik steeds had moeten blijven!” antwoordde Michael Strogoff, wiens voorhoofd betrok.

Daarna liet hij er op volgen:

»Ik heb mijn eed niet gehouden, Nadia. Ik had gezworen mijne moeder niet te zullen zien!”

»Maar Michael, gij hebt niet getracht om haar te zien. Alleen het toeval heeft u in hare tegenwoordigheid gebracht.”

»Ik had gezworen om, wat er ook gebeurde, mij zelven niet te verraden.”

»Michael, Michael! Kondt gij weerstand bieden toen de zweep Marfa Strogoff bedreigde! Er bestaat geen eed, die een zoon kan beletten om zijne moeder te hulp te komen!”

»Ik heb mijn eed niet gehouden, Nadia,” antwoordde Michael Strogoff. »Mogen God en de Vader het mij vergeven.”

»Michael,” zeide het meisje toen, »ik heb u eene vraag te doen. Antwoord mij niet, indien gij meent mij geen antwoord te moeten geven. Van uwe zijde kan niets mij beleedigen.”

»Spreek, Nadia.”

»Waarom maakt ge, nu de brief van den czaar u ontnomen is, toch zoo’n haast om Irkoetsk te bereiken?”

Michael Strogoff drukte de hand zijner gezellin nog sterker, maar hij antwoordde niet.

»Wist gij dan wat de brief inhield, vóor dat gij Moskou verliet?” hernam Nadia.

»Neen, ik wist het niet.”

»Moet ik gelooven, Michael, dat de wensch om mij in handen van mijn vader te stellen, u alleen naar Irkoetsk drijft?”

»Neen, Nadia,” antwoordde Michael Strogoff ernstig. »Ik zou u bedriegen, zoo ik u in dien waan liet. Ik ga derwaarts, waarheen mijn plicht mij gebiedt te gaan. En wat het geleide naar Irkoetsk betreft, zijt gij het niet Nadia die mij nu derwaarts voert. Hebt gij de diensten, die ik u in den beginne bewees, niet honderdvoudig vergolden? Ik weet niet of het noodlot ons zal blijven vervolgen, maar den dag waarop gij mij dank zult zeggen omdat ik u bij uw vader heb gebracht, dien dag ontvangt gij mijn dank omdat gij mij tot Irkoetsk geleid hebt!”

»Arme Michael!” antwoordde Nadia, zeer bewogen. »Spreek toch zoo niet! Michael, ik verlang geen antwoord, maar waarom maakt ge nu zoo’n haast om te Irkoetsk te komen?”

»Omdat ik er vóor Ivan Ogareff moet zijn,” riep Michael Strogoff uit.

»Nu nog?”

»Nu nog, en ik zal er wezen!”

En deze laatste woorden uitsprekende, werd Michael Strogoff niet enkel door haat jegens den verrader gedreven. Maar Nadia begreep dat haar makker niet alles zeide en dat hij alles niet kon zeggen.

Drie dagen later, 15 September, bereikten beiden het stadje Koeitoenskoë, op zeventig wersten afstands van Toeloenowskoë. Het meisje liep met de ergste pijn. Hare bezeerde voeten konden haar nauwelijks dragen. Maar zij bood weerstand aan—zij worstelde tegen de vermoeienis en hare eenige gedachte was deze:

»Omdat hij mij niet zien kan, zal ik loopen totdat ik er bij neerval!”

Overigens ondervonden zij, na het vertrek der Tartaren, gedurende dit gedeelte der reis, geen enkel beletsel of gevaar onder weg.

Dit ging zoo drie dagen door. Het was zichtbaar dat de derde kolonne der overweldigers in het oosten snelle vorderingen maakte. Het was op te maken uit de verwoesting die zij achterliet, uit de asch die geen rook meer verspreidde en uit de reeds ontbonden lijken die op den grond lagen.

In het westen ook niets te zien. De voorhoede van den emir vertoonde zich niet. Michael Strogoff kwam tot de onwaarschijnlijkste onderstellingen om deze vertraging te verklaren. Bedreigden de Russen, in voldoende sterkte, Tomsk of Krasnoïarsk rechtstreeks? Liep de derde kolonne, van de beide andere gescheiden, gevaar om afgesneden te worden? Ware dit het geval, dan zou het den grootvorst gemakkelijk vallen Irkoetsk te verdedigen en, wordt bij een inval tijd gewonnen, dan is men op weg om hem afteslaan.

Michael Strogoff gaf zich soms aan deze hoop over, maar hij zag spoedig het hersenschimmige er van in en hij rekende slechts op zich zelven, alsof het behoud van den grootvorst alleen in zijne handen gelegen had!

Zestig wersten scheidden Koeitoenskoë van Timilteiskoë, een stadje gelegen bij de Dinka, die in de Angara uitloopt. Michael Strogoff was niet zonder vrees voor het beletsel dat die niet onbeteekenende stroom op zijn weg zou kunnen opleveren. Ponten of schuiten te vinden, daar was geen denken aan en uit vroegere ervaring wist hij dat hij moeilijk te doorwaden was. Maar dat water, eens overgetrokken zijnde, zou geen enkele stroom, geen enkele rivier hun weg naar Irkoetsk, twee honderd dertig wersten verder, meer afbreken.

Niet minder dan drie dagen werden vereischt om Kimilteiskoë te bereiken. Nadia sleepte zich voort. Hoe sterk hare zedelijke kracht ook ware, hare lichaamskracht was op het punt van haar te begeven. Michael Strogoff wist het maar al te wel!

Ware hij niet blind geweest, dan zou Nadia ongetwijfeld tegen hem gezegd hebben:

»Ga, Michael, laat mij in eene hut achter! Bereik Irkoetsk! Volbreng uwe zending! Bezoek mijn vader! Zeg hem waar ik ben! Zeg hem, dat ik op hem wacht en dan zult gij met u beiden mij wel kunnen terugvinden! Vertrek! Ik ben niet bevreesd! Ik zal mij voor de Tartaren verbergen! Ik zal voor mijn behoud zorgen, voor hem, voor u! Ga, Michael! Ik kan niet meer gaan!....”

Nadia was verscheidene malen genoodzaakt om stil te houden. Michael Strogoff nam haar dan in zijne armen en van het oogenblik af dat hij haar droeg, geene zorg over de vermoeienis van het meisje hebbende, liep hij sneller en met zijn onvermoeiden pas.

Den 18den September, ’s avonds tien uur, bereikten beiden eindelijk Kimilteiskoë. Van den top eens heuvels bespeurde Nadia eene lichte streep aan den gezichteinder. Het was de Dinka. Het weerlichtte en dit schijnsel weerkaatste in hare wateren; het ging van geen donder vergezeld en bepaalde zich dus tot het verlichten der vlakte.

Nadia geleidde haar makker door het verwoeste stadje. De asch, door den brand achtergelaten, was koud. Het was zeker vijf of zes dagen geleden, dat de laatste Tartaren er langs getrokken waren.

Aan de laatste huizen van het vlek gekomen, viel Nadia op eene steenen bank neder.

»Houden we stil?” vroeg Michael Strogoff.

»Het is nacht geworden, Michael,” antwoordde Nadia. »Wilt gij niet een paar uur rust nemen?”

»Ik zou gaarne de Dinka hebben overgetrokken,” was het antwoord van Michael Strogoff; »ik had haar tusschen ons en de voorhoede van den emir gewenscht. Maar, mijne arme Nadia, gij kunt u zelfs niet meer voortslepen!”

»Kom, Michael,” antwoordde Nadia, die de hand van haar makker vatte en hem meevoerde.

Het was twee of drie wersten verder dat de Dinka den weg naar Irkoetsk sneed. Het meisje wilde de laatste poging, die haar makker van haar verlangde, beproeven. Beiden liepen dus voort bij het schijnsel van het weerlicht. Zij doorkruisten toen eene onbegrensde woestenij, waarin het riviertje verdween. Geen boom, geen heuveltje stak boven de uitgestrekte vlakte uit, die weder een aanvang der Siberische steppe was. Geen zuchtje zweefde er door den dampkring, die zoo stil was dat het minste geluid zich op onbepaalden afstand zou hebben voortgeplant.

Plotseling stonden Michael Strogoff en Nadia stil, alsof hunne voeten in eene spleet van den grond beklemd waren geraakt.

Er had zich een geblaf door de steppe laten hooren.

»Hebt gij ’t gehoord?” zeide Nadia.

Daarop volgde een akelige kreet, een wanhoopskreet als het laatste hulpgeschrei van een menschelijk wezen dat den dood nabij is.

»Nikolaas! Nikolaas!” riep het meisje uit, als door een somber voorgevoel gedreven.

Michael Strogoff, die luisterde, schudde het hoofd.

»Kom, Michael, kom!” zeide Nadia.

En zij, die zooeven zich nauwelijks kon voortslepen, herkreeg nu plotseling hare krachten, onder den invloed eener hevige opgewondenheid.

»Zijn wij van den weg af?” zeide Michael, die bemerkte dat hij den mullen weg niet meer betrad, maar het korte gras onder zijne voeten had.

»Ja.... het moet!....” antwoordde Nadia. »Daar rechts is de kreet vandaan gekomen!”

Eenige minuten later waren beiden geene halve werst meer van de rivier verwijderd.

Andermaal werd geblaf gehoord en hoewel het zwakker klonk, was het niettemin dichterbij. Nadia stond stil.

»Ja,” zeide Michael. »Het is Serko die blaft! Hij is zijn meester gevolgd.”

»Nikolaas,” schreeuwde het meisje.

Op haar geroep volgde geen antwoord.

Slechts vlogen eenige roofvogels op, die in het luchtruim verdwenen.

Michael Strogoff luisterde met inspanning. Nadia beschouwde de vlakte, met lichtende strepen overdekt en die als een spiegel glinsterde, maar zij zag niets.

En, toch werd er eene stem hoorbaar die nu, op een klagenden toon, stamelde: »Michael....”

Daarop sprong een geheel met bloed overdekte hond op Nadia los! Het was Serko!

Nikolaas kon niet ver weg zijn! Niemand anders dan hij had den naam van Michael kunnen stamelen! Waar was hij? Nadia bezat zelfs geene kracht meer om hem te roepen.

Michael Strogoff zocht, over den grond kruipende, met zijne handen. Plotseling blafte Serko opnieuw en snelde hij op een reusachtigen vogel toe, die langs den grond streek.

Het was een gier. Toen Serko op hem toesprong, steeg hij op; maar terugkeerende, sloeg hij op den hond los! Deze sprong nogmaals naar den gier! Een hevige slag met den geweldigen snavel trof zijn kop en ditmaal viel Serko levenloos ter aarde. Terzelfder tijde ontsnapte een kreet van afgrijzen aan Nadia!

»Daar... daar!” zeide zij.

Een hoofd stak boven den grond uit. Zonder het heldere schijnsel dat het uitspansel afstraalde, zou zij er met den voet tegen geschopt hebben.

Nadia wierp zich, bij dit hoofd, op de knieën.

Nikolaas, naar Tartaarsche gewoonte tot aan den hals toe begraven, was in de steppe achtergelaten, om er van honger en dorst of wellicht door het gebit der wolven of den snavel der roofvogels om te komen. Schrikkelijke marteling van een in den bodem ingekerkerd slachtoffer, dat door de aarde die het niet verwijderen kan, saamgeperst wordt, terwijl de armen nauwsluitend aan het lichaam zijn bevestigd, gelijk die van een lijk in zijn doodkist! Den veroordeelde levende in dien leemen vorm, dien hij niet verbreken kan, blijft niets over dan den dood aan te roepen, die te lang uitblijft!

Daar hadden de Tartaren sedert drie dagen hun gevangene begraven!... Sedert drie dagen wachtte Nikolaas op hulp, die te laat zou komen!

De gieren hadden dat hoofd, gelijk met den grond opgemerkt en sedert eenige uren verdedigde de hond zijn meester tegen die woeste vogels!

Michael Strogoff dolf de aarde met zijn mes op om dien levende te ontgraven!

De tot dusverre gesloten oogen van Nikolaas, gingen weder open.

Hij herkende Michael en Nadia en vervolgens prevelde hij.

»Vaartwel, vrienden. Ik ben tevreden dat ik u heb wedergezien! Bidt voor mij!...”

En dit waren zijne laatste woorden.

Michael Strogoff ging voort met in den grond te graven, die door het vaststampen zoo hard als eene rots was geworden en hij slaagde er eindelijk in er het lichaam van den ongelukkige uit te halen. Hij luisterde of zijn hart nog klopte! Het klopte niet meer.

Toen besloot hij het te begraven, opdat het niet op de steppe bloot zou liggen en daarom maakte hij het gat, waarin Nikolaas begraven was, wijder en dieper, zoodanig dat hij hem er dood in kon leggen. De trouwe Serko zou naast zijn meester geplaatst worden.

Op dit oogenblik werd er, op hoogstens een halve werst afstands een groot gedruisch op den weg vernomen.

Michael Strogoff luisterde.

Uit het gedruisch maakte hij op dat eene afdeeling ruiters zich naar de Dinka richtte.

»Nadia! Nadia!” zeide hij zacht.

Nadia die lag te bidden stond nu op.

»Kijk! kijk toch!” sprak hij tot haar.

»De Tartaren!” mompelde zij.

Inderdaad was het de voorhoede van den emir, die snel op den weg naar Irkoetsk voorbij reed.

»Toch zullen zij mij niet beletten hem te begraven!” zeide Michael Strogoff.

En hij zette zijn arbeid voort.

Weldra werd het lichaam van Nikolaas, met de armen over de borst gekruist, in het graf nedergelegd. Michael Strogoff en Nadia deden op de knieën liggende, het laatste gebed voor het arme, goedhartige wezen, dat zijne gehechtheid aan hen met zijn leven betaald had.

»En nu,” zeide Michael Strogoff, terwijl hij de aarde er weder over wierp, »zullen de wolven der steppe hem niet verslinden.”

Daarna hief hij de hand dreigend naar de voorbijgaande ruiters op.

»Op weg, Nadia!” zeide hij.

Michael Strogoff kon den weg, nu door de Tartaren ingenomen, niet meer volgen. Hij moest dwars door de steppe gaan en Irkoetsk omtrekken. Over den overtocht der Dinka behoefde hij zich niet meer te bekommeren.

Nadia kon zich niet verder voortslepen, maar zij kon voor hem zien. Hij nam haar in zijne armen en trok het zuidwesten der provincie in.

Hij had nog meer dan tweehonderd wersten te doorloopen. Hoe legde hij ze af? Hoe kwam het dat hij onder zooveel vermoeienis niet bezweek? Hoe kwam hij onderweg aan voedsel? Door welke bovenmenschelijke wilskracht kwam hij over de eerste hellingen van het Saïansk-gebergte? Noch Nadia, noch hij hadden op die vragen antwoord kunnen geven.

En nochtans lag twaalf dagen later, ’s avonds zes uur, een onmetelijk waterbekken aan de voeten van Michael Strogoff.

Het was het meer Baïkal.