EEN HAAS OVER DEN WEG.

Eindelijk mocht Michael Strogoff gelooven, dat de weg tot Irkoetsk vrij was. Hij was de Tartaren, die te Tomsk werden achter gehouden, vooruit en de soldaten van den emir zouden te Krasnoïarsk slechts eene verlaten stad vinden. Tenzij zij eene, moeielijk te plaatsen schipbrug medebrachten, zou de overtocht bijna onmogelijk zijn.

Voor het eerst, na de noodlottige ontmoeting met Ivan Ogareff te Omsk, gevoelde de koerier van den czaar zich minder ongerust en hoopte hij nu geen hinderpalen meer te ontmoeten.

Na in eene schuinsche richting een vijftiental wersten naar het zuidoosten te zijn gedaald, vond de kibitka den langen steppenweg weder terug en sloeg zij dien in.

De weg was goed en zelfs wordt het gedeelte, dat zich tusschen Krasnoïarsk en Irkoetsk uitstrekt, als het beste beschouwd. Minder schokken der reizigers, schaduw tegen de zonnehitte en soms pijnboom- en cederwouden ter lengte van honderd wersten. Maar dit rijke land was toen ontvolkt. Overal verlaten vlekken. Geen Siberische boeren meer met den Slavischen gelaatstrek. Het was de woestijn en, zoo als men weet, de woestijn op hoog bevel.

Het weder was schoon, maar de lucht, die ’s nachts reeds koel was, werd door de zonnestralen zoo gemakkelijk niet meer verwarmd. Men was dan ook in de eerste dagen van September, en op deze hooge breedte wordt de dagboog zichtbaar kleiner boven den gezichteinder. De herfst duurt er slechts kort, hoewel dit gedeelte van Siberië niet boven den vijf en vijftigsten parallel—die van Edinburgh en Kopenhagen—gelegen is. Soms volgt de winter plotseling op den zomer. Het moeten zeer voorspoedige winters zijn, die winters van Aziatisch-Rusland, gedurende welke de thermometer tot op het vriespunt der kwik daalt [7] en waar men gemiddelden van twintig honderddeelige graden onder nul, een draaglijke temperatuur rekent.

Het weder was den reizigers dus gunstig. Het was noch storm- noch regenachtig. De warmte was matig, de nachten waren koel. Nadia en Michael Strogoff bleven gezond en, sedert zij Tomsk verlaten hadden, waren zij langzamerhand van hunne vermoeinissen bekomen.

Wat Nikolaas Pigassoff betrof, deze was nooit zoo welvarend geweest. Deze reis was voor hem eene wandeling, een aangenaam uitstapje, waartoe hij zijn vrijen tijd, als ambtenaar buiten dienst, besteedde.

»Zeker,” zeide hij, »is het beter dan twaalf uur daags, op een stoel, met den stroomafsluiter van den telegraaftoestel in de hand te zitten!”

Michael Strogoff had Nikolaas kunnen overreden om zijn paard wat meer gang te geven, zoodat gemakkelijk zestig wersten in het etmaal konden worden afgelegd, zonder dat het dier werd uitgeput.

Nikolaas had vooral toegegeven om Nadia en haar broeder spoediger hun vader te doen wederzien. Ook zeide hij glimlachend tegen haar:

»Hemelsche goedheid! wat zal de heer Korpanoff blijde zijn als hij u wederziet, als zijne armen zich zullen openen om u te omhelzen! Als ik tot Irkoetsk ga—en dat komt mij nu wel waarschijnlijk voor—mag ik dan bij die ontmoeting zijn? Ja, niet waar?”

Daarop sloeg hij zich tegen het voorhoofd en zeide hij:

»Maar ook welk eene droefheid, als hij zal bespeuren dat zijn arme, kloeke zoon blind is! Ach! wat is alles in deze wereld toch dooreengemengd.”

Een en ander had het gevolg dat de kibitka sneller reed en naar de berekening van Michael Strogoff nu tien à twaalf wersten in het uur aflegde.

Dientengevolge kwamen de reizigers op 28 Augustus tot voorbij het vlek Balaisk op tachtig wersten van Krasnoïarsk en den 29sten voorbij het vlek Ribinsk, op veertig wersten van Balaisk.

Den volgenden dag, kwam zij, vijf en dertig wersten verder, te Kamsk aan, een aanzienlijker stadje, besproeid door de rivier van dienzelfden naam en behoorende tot het stroomgebied van de Jeniseï, die van het Saïansk-gebergte afvloeit. Als stad is het niet van veel gewicht; de huizen zijn schilderachtig om een marktplein geplaatst; terwijl de hooge klokketoren der hoofdkerk alles overziet en zijn verguld kruis in de zon laat schitteren.

Ledige huizen en een verlaten kerk. Geen wisselplaats meer, geene herberg meer die bewoond was. Geen paard op stal. Geen huisdier in de steppe. De bevelen van het Moskovische gouvernement waren met volkomen gestrengheid uitgevoerd. Wat niet medegevoerd kon worden, was vernield.

Toen zij Kamsk uitreden, vertelde Michael Strogoff aan Nadia en aan Nikolaas dat zij nu nog slechts een eenigszins belangrijk stadje, Nijni-Oedinsk, zouden ontmoeten, voor dat zij Irkoetsk bereikten. Nikolaas antwoordde dat hij zulks wist, daar er een telegraafkantoor in die plaats bestond. Was Nijni-Oedinsk dus evenzeer verlaten als Kamsk, dan zou hij, om bezigheid te vinden, verplicht zijn tot de hoofdstad van Oost-Siberië door te gaan.

De kibitka kwam op eene waadbare plaats gemakkelijk het riviertje over, dat den weg voorbij Kamsk snijdt. Bovendien was tusschen de Jeniseï en de Angara, aan eerstgenoemde schatplichtig en die Irkoetsk besproeit, geen hindernis van eenigen belangrijken stroom—de Dinka misschien uitgezonderd—te vreezen.

Van Kamsk naar het eerstvolgende vlek, was het een lange weg, bijna honderd wersten. De vastgestelde halten moesten dus in acht genomen worden, wilde men zich, zooals Nikolaas zeide, »niet aan een billijk beklag van het paard blootstellen.” Er was met dit moedige dier overeengekomen dat het om de vijftien wersten zou rusten en wanneer men eene overeenkomst sluit, eischt de billijkheid, zelfs tegenover dieren, dat men zich aan de bepalingen dier overeenkomst houde.

Na het riviertje Birioesa overgetrokken te zijn, bereikte de kibitka, in den morgen van 4 September, Birioesinsk.

Daar vond Nikolaas, wiens voorraad uitgeput raakte, gelukkig een dozijn »pogatchas” eene soort van koeken met schapenvet toebereid en eene goede hoeveelheid rijst in water gekookt. Dit buitenkansje kwam ter rechter tijd den voorraad koemijss versterken, waarvan de kibitka te Krasnoïarsk voldoende voorzien was.

Na eene behoorlijke halte werd de reis in den namiddag van 8 September hervat. De afstand tot Irkoetsk bedroeg nog slechts vijf honderd wersten. Achter hen was nog niets van de voorhoede der Tartaren te bespeuren. Michael Strogoff had dus grond om te gelooven dat zijne reis geene verhindering meer zou ondervinden en dat hij binnen acht, of hoogstens tien dagen, voor den grootvorst zou staan.

Bij het uitkomen van Birioesinsk sprong een haas dwars over den weg, op dertig pas vóor de kibitka.

»Ach!” zeide Nikolaas.

»Wat scheelt u, vriend?” vroeg Michael Strogoff haastig als een blinde, die op het minste gerucht let.

»Hebt ge het dan niet gezien?....” zeide Nikolaas, wiens lachend gelaat plotseling een sombere plooi had aangenomen.

Daarna liet hij er op volgen:

»O! neen! gij kondt het niet zien en dat is gelukkig voor u, vadertje!”

»Maar ik heb niets gezien,” zeide Nadia.

»Zooveel te beter! zooveel te beter! Maar ik.... ik heb gezien!....”

»Wat dan?” vroeg Michael Strogoff.

»Een haas die onzen weg kruiste!” antwoordde Nikolaas.

Wanneer een haas den weg van een reiziger kruist, wil het volksgeloof in Rusland daarin het voorteeken van een aanstaand ongeluk zien.

Even bijgeloovig als het meerendeel der Russen, had Nikolaas de kibitka stil laten staan.

Hoewel Michael de bijgeloovigheid ten aanzien van hazen, die iemands weg kruisen, niet deelde, begreep hij de aarzeling van zijn metgezel en trachtte hij hem gerust te stellen.

»Vriend,” zeide hij, »er is niets te vreezen.”

»Voor u en voor haar niet, vadertje, dat weet ik, maar voor mij wel,” antwoordde Nikolaas.

En daarna hernam hij:

»Het is het noodlot.”

En hij zette zijn paard weer in den draf.

Intusschen ging de dag, niettegenstaande het ongunstige voorteeken, zonder ongeluk voorbij.

Den volgenden dag, op den middag, hield de kibitka in het vlek Alsaleïsk stil, dat even verlaten was als de geheele omstreek.

Daar vond Nadia, op den drempel eener woning, twee van die messen met sterk lemmet, bij de Siberische jagers in gebruik. Zij gaf er een aan Michael Strogoff, die het onder zijne kleederen verborg, terwijl zij er een voor zich hield. De kibitka was nu nog vijf en zeventig wersten van Nijni-Oedinsk af.

Gedurende de beide laatste dagen had Nikolaas zijne gewone goede luim maar niet teruggekregen. Het kwade voorteeken had hem meer aangedaan, dan men zou kunnen gelooven, en hij, die anders geen uur zonder praten was, verviel nu dikwijls in een langdurig stilzwijgen, waaruit Nadia hem slechts met moeite opwekte. Die verschijnselen waren werkelijk die van een getroffen geest, dat zich bij lieden van een Noorsch ras verklaart, als men bedenkt dat hunne voorvaderen de stichters waren der Noordsche fabelleer.

Van Ekaterinenburg uitgaande loopt de weg naar Irkoetsk bijna evenwijdig met de vijf en vijftigsten graad noorderbreedte; maar Birioesinsk verlatende, buigt hij schuins naar het zuidoosten af, zoodat hij den honderdsten meridiaan oosterlengte dwars doorsnijdt. Hij bereikt de hoofdstad van Oost-Siberië op de kortste wijze door de laatste hellingen van het Saïansk-gebergte over te gaan. Deze bergen zijn zelven slechts een uitspruitsel van de Altaï-keten, die op een afstand van twee honderd wersten zichtbaar is.

De kibitka snelde dus op dien weg voort. Ja, zij snelde voort! Men gevoelde dat Nikolaas zijn paard niet meer spaarde en dat hij spoed maakte om aan te komen. Niettegenstaande zijne fatalistische onderworpenheid, geloofde hij dat hij eerst binnen de wallen van Irkoetsk veilig zou zijn. Vele Russen zouden met hem van dezelfde gedachten zijn geweest en menigeen onder hen, zou, na het oversteken van zijn weg door een haas, dadelijk omgekeerd zijn.

Intusschen leidden eenige opmerkingen die hij maakte en wier juistheid door Nadia, na ze aan Michael Strogoff medegedeeld te hebben, beoordeeld werden, er toe om te vreezen dat de reeks van beproevingen voor hen nog niet geëindigd zou wezen.

Inderdaad, mocht de grond van af Krasnoïarsk in zijne natuurlijke voortbrengselen al gespaard zijn, de wouden begonnen nu de sporen van vuur en zwaard te vertoonen; de weiden langs den weg waren verwoest en het was blijkbaar dat een aanzienlijke troep daar voorbijgetrokken was.

Dertig wersten aan deze zijde van Nijni-Oedinsk konden de sporen eener kortelings plaats gehad hebbende verwoesting niet geloochend worden en deze was onmogelijk anders dan aan de Tartaren toe te schrijven.

Ook vertoonden zich half afgebroken of verbrande huizen, terwijl, op de muren der woningen, de indrukken van kogels zichtbaar waren.

Men begrijpt licht hoe ongerust Michael Strogoff was. Er viel niet meer aan te twijfelen dat eene afdeeling Tartaren kort geleden dit gedeelte van den weg was langs gekomen en toch konden het de soldaten van den emir niet zijn geweest, want deze konden hen niet vooruit zijn gekomen, zonder dat hij ze gezien had. Maar wie waren dan die nieuwe overweldigers en langs welken zijweg waren zij uit de steppe op den grooten weg naar Irkoetsk gekomen. Met welke nieuwe vijanden zou de koerier van den czaar nu weer te doen krijgen?

Deze beduchtheid deelde Michael Strogoff noch aan Nikolaas, noch aan Nadia mede, omdat hij hen niet ongerust wilde maken.

Bovendien had hij besloten zijn weg te vervolgen, zoolang geen onoverkomelijk beletsel hem tegenhield. Later zou hij zien, wat hem te doen stond.

Den volgenden dag vertoonden zich, meer en meer, de sporen van den doortocht van een sterken troep ruiters en voetknechten. Rookwolken waren aan den gezichteinder merkbaar. De kibitka ging behoedzaam voorwaarts.—Eenige huizen van het vlek brandden nog en zeker was het geen vier en twintig uur geleden dat ze in brand waren gestoken.

Eindelijk hield de kibitka den 8sten September stil. Het paard weigerde om vooruit te gaan. Serko blafte op eene erbarmelijke wijze.

»Wat is er?” vroeg Michael Strogoff.

»Een lijk!” antwoordde Nikolaas, die uit de kibitka sprong.

Het lijk was dat van een moejiek, vreeselijk verminkt en reeds koud.

Nikolaas maakte een kruis. Daarna bracht hij, door Michael Strogoff geholpen, het lijk naar den berm van den weg. Hij had het een behoorlijk graf willen geven, het diep willen begraven, opdat de roofdieren der steppe de ellendige overblijfselen niet zouden verscheuren, maar Michael Strogoff liet er hem den tijd niet voor.

»Laat ons vertrekken, vriend, laat ons vertrekken!” riep hij. »Wij mogen zelfs geen uur vertragen!”

En de kibitka reed weder voorwaarts.

Overigens zou Nikolaas toch niet in staat zijn geweest de laatste eer te bewijzen aan alle dooden, die hij voortaan op den Siberischen grooten weg zou ontmoeten! Bij het naderen van Nijni-Oedinsk lagen de lichamen bij twintigtallen op den grond.

Men moest den weg echter volgen, totdat het blijkbaar onmogelijk werd dit te doen, zonder in de handen der overweldigers te vallen. De reisweg werd dus niet gewijzigd en nochtans namen, bij elk vlek, de verwoesting en de bouwvallen steeds toe. Al deze dorpen, wier namen aanwezen, dat zij door Poolsche ballingen werden gesticht, waren aan de ijselijkheden van plundering en brand overgeleverd. Het bloed der slachtoffers was nog niet eens volkomen gestold. Onder welke omstandigheden deze noodlottige voorvallen plaats hadden gegrepen, was niet uit te maken. Er was geen levend wezen over om het te vertellen.

Dienzelfden dag, tegen vier uur des avonds, bespeurde Nikolaas aan den gezichteinder de hooge klokketorens der kerken van Nijni-Oedinsk. Zij waren gehuld in zware dampen, die geene wolken schenen te zijn.

Nikolaas en Nadia keken en deelden den uitslag hunner waarnemingen aan Michael Strogoff mede. Er moest een besluit worden genomen. Was de stad verlaten, dan kon men haar zonder gevaar doortrekken, maar zoo de Tartaren haar bezetten, moest men tot elken prijs er om heen trekken.

»Laten wij voorzichtig vooruit gaan,” zeide Michael Strogoff, »maar laat ons vooruit gaan!”

Er werd nog eene werst afgelegd.

»Het zijn geene wolken, het is rook!” riep Nadia uit. »Broeder, men steekt de stad in brand!”

Inderdaad, was het maar al te blijkbaar. Zwartachtige schijnsels vertoonden zich te midden der dampen. Die dwarrelende wolken werden steeds dikker en stegen hemelwaarts. Overigens, nergens een vluchteling. Het was waarschijnlijk dat de brandstichters de stad verlaten hadden gevonden en dat ze haar nu verbrandden. Maar waren het Tartaren die dus te werk gingen? Of Russen die aan de bevelen van den grootvorst gehoorzaamden? Had het gouvernement van den czaar gewild dat van af Krasnoïarsk en van af de Jeniseï, geene stad, geen vlek eene schuilplaats aan de soldaten van den emir zouden kunnen aanbieden? Wat Michael Strogoff aangaat, moest hij zijne reis staken of haar vervolgen?

Hij was besluiteloos. Maar na het voor en tegen gewogen te hebben, meende hij dat, welke vermoeienissen de steppen ook opleverden, hij zich niet moet blootstellen eene tweede maal in handen der Tartaren te vallen. Hij wilde dus aan Nikolaas voorstellen den weg te verlaten en hem, zoo noodig, niet te hernemen alvorens Nijni-Oedinsk omgereden te zijn, toen er, ter rechterzijde, een schot viel. Het gefluit van een kogel werd gehoord en het paard der kibitka viel, in den kop getroffen, dood neder.

Op hetzelfde oogenblik wierp zich een dozijn ruiters op den weg en omsingelden het rijtuig. Zonder dat Michael Strogoff, Nadia en Nikolaas zich van het gebeurde eenige rekenschap konden geven, waren zij gevangen genomen en werden zij snel naar Nijni-Oedinsk medegesleept.

Michael Strogoff had, gedurende dezen plotselingen aanval, niets van zijne koelbloedigheid verloren. Zijne vijanden niet kunnende zien, had hij er niet aan gedacht zich te verdedigen. En al had hij het gebruik zijner oogen gehad, hij zou het nochtans niet beproefd hebben. Hij zou den dood te gemoet geloopen zijn. Maar kon hij niet zien, hij kon hooren en begrijpen wat zij zeiden.

Inderdaad herkende hij aan hunne spraak dat de soldaten Tartaren waren en aan hunne woorden, dat zij de voorloopers van het leger der overweldigers waren.

Ziehier overigens wat Michael Strogoff vernam zoo uit de gesprekken die nu in zijne tegenwoordigheid gevoerd werden, als uit stukken van samensprekingen, die hij later opving.

Deze soldaten stonden niet onder rechtstreeksch bevel van den emir, die nog aan gene zijde van de Jeniseï werd opgehouden. Zij behoorden tot de derde kolonne, meer uitsluitend samengesteld uit Tartaren van de Khanaten Khokhand en Koendoez, waarmede het leger van Feofar zich weldra in de omstreken van Irkoetsk zou vereenigen.

Op raad van Ivan Ogareff en ten einde het slagen van den inval in de oostelijke provinciën te verzekeren, was deze kolonne, na de grens van het gouvernement Semipalatinsk overschreden te hebben en het meer Balkhach ten zuiden langs getrokken te zijn, verder langs den voet van het Altaï-gebergte opgemarcheerd. Onder aanvoering van een officier van den khan van Koendoez plunderende en vernielende, had zij den bovenloop der Jeniseï bereikt. Daar had die officier, vóoruitziende wat op bevel van den czaar te Krasnoïarsk geschied was en om den overtocht van den stroom voor de troepen van den emir te vergemakkelijken, eene kleine vloot te water gelaten, die hetzij als vaartuigen, hetzij als bruggenmaterieel, Feofar in staat zou stellen op den rechteroever den weg naar Irkoetsk te vervolgen. Daarna was deze derde kolonne na den voet van het gebergte te zijn omgetrokken in de vallei der Jeniseï afgedaald en had zij genoemden weg ter hoogte van Alsalevsk weder bereikt. Dit was de oorzaak van de vreeselijke ophooping van bouwvallen—het kenmerkende der Tartaarsche oorlogen—die van af dat stadje werden waargenomen. Nijni-Oedinsk had het algemeene lot ondergaan en de Tartaren, ten getale van vijftig duizend man, hadden het reeds verlaten om de eerste stellingen voor Irkoetsk in te nemen. Binnenkort zouden zij met de troepen van den emir vereenigd zijn.

Zoo was de toestand op dit oogenblik; een toestand allerernstigst voor dit geheel afgezonderd gedeelte van oostelijk Siberië en de betrekkelijk weinig talrijke verdedigers van zijne hoofdstad.

Michael Strogoff wist dus het volgende: aankomst voor Irkoetsk van eene derde Tartaarsche kolonne en aanstaande vereeniging van den emir en van Ivan Ogareff met het gros hunner troepen. Bij gevolg was de insluiting van Irkoetsk en hare overgaaf, slechts eene zaak van tijd, wellicht van slechts zeer korten tijd.

Men begrijpt door welke gedachten Michael Strogoff bestormd werd! Wie zou er verwonderd zijn geweest, zoo hij eindelijk allen moed, elke hoop verloren had? Toch was dit zoo niet en prevelden zijne lippen slechts deze woorden:

»Ik zal er komen!”

Een half uur na den aanval der Tartaarsche ruiters deden Michael Strogoff, Nikolaas en Nadia hun intocht binnen Nijni-Oedinsk. De getrouwe hond was hun, maar van verre, gevolgd. Zij zouden zich in de stad niet ophouden die in brand stond en op het punt was van door de laatste stroopers verlaten te worden.

De gevangenen werden dus te paard gezet en snel medegevoerd. Nikolaas, gelaten als altijd, Nadia in haar vertrouwen in Michael Strogoff niet het minst geschokt en Michael Strogoff oogenschijnlijk onverschillig, maar gereed om elke gelegenheid tot ontvluchting aan te grijpen.

De Tartaren hadden spoedig bemerkt dat een hunner gevangenen blind was en hunne aangeboren barbaarschheid dreef hen aan om zich met den ongelukkige te vermaken. Men schreed snel voorwaarts. Het paard van Michael Strogoff dat niemand anders tot bestuurder had, maakte dikwijls zijsprongen, die de ruiterafdeeling in wanorde brachten. Van daar scheldwoorden en onbeschoftheden die het hart van Nadia braken en Nikolaas verontwaardigden. Maar wat er tegen te doen? Zij verstonden de Tartaarsche taal niet en hunne tusschenkomst werd onmeedoogend afgewezen.

Zelfs kwamen de soldaten door hunne uiterste barbaarschheid er toe om het paard dat Michael Strogoff bereed, te verwisselen voor een ander dat blind was. Deze ruil was het gevolg eener aanmerking van een der ruiters, door Michael Strogoff opgevangen en van dezen inhoud:

»Maar misschien ziet die Rus wel!”

Dit gebeurde op zestig wersten van Nijni-Oedinsk, tusschen de stadjes Tetan en Chibarlinskoë. Zoo had men Michael Strogoff op dat paard gezet en hem spottenderwijs de teugels in de handen gegeven. Daarna zette men het in galop door zweepslagen, steenworpen en schreeuwen.

Het paard dat door zijn even blinden berijder niet in eene rechte richting kon worden gehouden, liep dan eens tegen een boom of geraakte, een ander maal, van den weg af. Daarvan waren schokken en vallen het gevolg, die zeer noodlottig konden worden.

Michael Strogoff stribbelde niet tegen. Geene klacht liet hij hooren. Stortte zijn paard, hij wachtte tot men het kwam oprichten. En inderdaad richtte men het op en hernam het wreede spel dan zijn gang.

Bij deze slechte behandeling kon Nikolaas zich niet bedwingen. Hij wilde zijn makker te hulp snellen. Men hield hem tegen, men mishandelde hem.

Dit spel zou tot groot vermaak der Tartaren zeker nog lang geduurd hebben, zoo een ernstiger voorval er geen einde aan gemaakt had.

Op zeker oogenblik den 10den September, ging het blinde paard op hol en liep recht op een modderpoel toe die, dertig tot veertig voet diep, langs den weg liep.

Nikolaas wilde toeschieten! Men hield hem tegen. Het paard, niet bestuurd wordende, wierp zich met zijn ruiter in dien kuil.

Nadia en Nikolaas stieten een hevigen kreet uit!.... Zij dachten dat hun ongelukkige makker in zijn val moest verpletterd zijn!

Toen men hem ophielp, bleek het dat Michael Strogoff, die zich uit het zadel had kunnen werpen, geen enkele wond had, maar dat het paard twee pooten gebroken had en geen dienst meer kon doen.

Men liet het daar sterven, zonder het den genadeslag te geven, terwijl Michael Strogoff aan den zadelknop van een Tartaar vastgemaakt, de afdeeling verder te voet moest volgen.

Nog geene klacht, noch geen bezwaar! Hij liep met een snellen pas, nauwelijks getrokken door het touw waarmede hij vastgebonden was. Hij was nog altijd »de ijzeren man” waarover generaal Kissoff met den czaar gesproken had!

Daags daarop, 11 September, kwam de afdeeling voorbij het stadje Chibarlinskoë.

Toen viel er iets voor dat de ernstigste gevolgen zou hebben.

De nacht was gevallen. De Tartaarsche ruiters, die halt hadden gemaakt, waren min of meer dronken. Zij waren op het punt om te vertrekken.

Op dat oogenblik werd Nadia, die, tot dusverre als door een wonder door de soldaten ontzien was, door een hunner beleedigd.

Michael Strogoff had noch beleediging, noch beleediger kunnen zien, maar Nikolaas had voor hem toegekeken.

Toen ging Nikolaas, rustig, zonder nadenken en zonder wellicht het gewicht zijner daad te beseffen, recht op den soldaat af, en vóor dat deze eene beweging had kunnen maken om hem tegen te houden, had hij eene pistool uit den zadelholster gepakt, en haar in de volle borst van den soldaat afgevuurd.

De officier, die over de afdeeling het bevel voerde, kwam, op het geraas der losbranding, dadelijk aanrijden.

De ruiters waren op het punt Nikolaas door midden te houwen, maar, op een teeken van den officier, werd hij gebonden en dwars op een paard gezet, waarna de afdeeling in galop weder vertrok.

Het touw, waarmede Michael Strogoff vastgebonden was en dat hij bijna had doorgebeten, brak door een plotselingen sprong van het paard, terwijl zijn halfdronken berijder, door een snellen rit medegevoerd het niet eens bemerkte.

Michael Strogoff en Nadia stonden alleen op den weg.