DE ZEGEVIERENDE INTOCHT.
Tomsk, in 1604 gesticht, bijna in het hart der Siberische provinciën, is eene der voornaamste steden van Aziatisch-Rusland. Tobolsk en Irkoetsk hebben deze stad ten hunnen koste allengs grooter zien worden.
En, evenwel is Tomsk niet de hoofdstad van die belangrijke provincie. Het is te Omsk, dat de gouverneur-generaal der provincie en de andere rijksbeambten hun verblijf houden. Maar Tomsk is de aanzienlijkste stad van dat grondgebied dat aan het Altaï-gebergte grenst. Op de helling van dit gebergte tot in de vallei van de Tom vindt men platina, goud, zilver, koper en goudglanzig lood. De landstreek is zeer rijk, en ook de stad, die te midden van zeer winstgevende exploitatiën gelegen is en die, wat weelde betreft, met de grootste steden in Europa kan wedijveren. Het is eene stad van millionairs, door het breekijzer en het houweel rijk geworden, en zoo zij al niet de eer heeft tot residentie van den vertegenwoordiger van den czaar te strekken, kan zij zich hierover troosten, omdat zij onder de voornaamsten harer inwoners het hoofd der kooplieden van de stad telt, de voornaamste concessionaris der mijnen van het keizerlijk gouvernement.
Het was nu te Tomsk dat de emir zijne zegevierende troepen zou ontvangen. Een luisterrijk feest zou ter hunner eer gegeven worden. Tot het houden dezer plechtigheid was de keus gevallen op eene uitgestrekte vlakte op den heuvel die de stad en de talrijke kronkelingen van den Tom beheerscht.
Te vier uur deed de emir zijne intrede op de bergvlakte, te midden van het geschal der trompetten en het gebulder van het geschut.
Feofar bereed zijn geliefkoosd paard, dat op zijn kop eene pluim met diamanten bezet, droeg. Hij was in krijgsgewaad en vergezeld van een talrijken staf.
Ivan Ogareff liet zich niet wachten; een schetterend trompetgeschal kondigde zijne aankomst aan. Hij—reeds bekend als de Litteekendrager—droeg de Tartaarsche officiers-uniform en kwam te paard voor de tent van den emir. Hij was vergezeld van een gedeelte der soldaten uit het kamp van Zabediero, die zich rondom het plein in slagorde stelden. Men zag een groot litteeken dat dwars over het gezicht van den verrader liep.
Ivan Ogareff stelde den emir zijne voornaamste officieren voor en Feofar-Khan, zonder de afgemetenheid vaarwel te zeggen, die het voornaamste van zijne waardigheid uitmaakte, ontving hen op eene wijze, dat zij over zijne ontvangst tevreden konden zijn.
Aldus begrepen Harry Blount en Alcide Jolivet het ten minste, die zich nu voor de jacht op nieuwstijdingen onafscheidelijk met elkander verbonden hadden. Na Zabediero verlaten te hebben, hadden zij zich gehaast Tomsk te bereiken. Hun plan was zoo snel mogelijk de Tartaren te verlaten, zich bij een of ander Russisch korps te voegen, en zoodoende spoedig Irkoetsk te bereiken. Wat zij van den inval gezien hadden,—brandstichting en moord—begon hun te walgen. Doch alvorens zich naar Irkoetsk op weg te begeven, wilden zij nog het feest bijwonen, om eenige bijzonderheden hiervan te kunnen overseinen. Zij bewonderden dus Feofar-Khan in al zijne pracht: zijne vrouwen, zijne officieren, zijne lijfwachten, en dien oosterschen luister, waarvan de plechtigheden van Europa geen denkbeeld kunnen geven. Doch zij wendden met verachting hunne oogen van Ivan Ogareff af, toen deze zich voor den emir vertoonde, en zij wachtten niet zonder ongeduld, totdat het feest begon.
»Ziet ge wel, mijn waarde Blount,” zeide Alcide Jolivet, »wij zijn te vroeg, als eenvoudige luidjes die veel voor hun geld willen hebben. Dit alles is nog slechts een begin, en het ware beter geweest dat wij alleen voor het ballet gekomen waren.”
»Welk ballet?” vroeg Harry Blount.
»Wel het ballet, dat bij deze plechtige gelegenheden altijd verplichtend is! Maar ik geloof dat het scherm opgaat.”
Alcide Jolivet sprak alsof hij in de opera geweest ware, en zijn tooneelkijker voor den dag halende, maakte hij zich gereed om als een kenner »de eerste sujetten van den troep van Feofar” op te nemen.
Maar eene pijnlijke plechtigheid zou deze vermakelijkheden voorafgaan.
Inderdaad kon de zegepraal van den overwinnaar niet volmaakt zijn zonder de openbare vernedering der overwonnenen. Te dien einde werden verscheidene honderden gevangenen onder de zweep der soldaten voorgebracht. Zij waren bestemd om voorbij Feofar-Khan en zijne bondgenooten te trekken, alvorens met hunne lotgenooten in de gevangenissen der stad opgehoopt te worden.
Onder deze gevangenen bevond zich, in het eerste gelid, Michael Strogoff. Overeenkomstig de bevelen van Ivan Ogareff, werd hij in het bijzonder door een peloton soldaten bewaakt. Zijne moeder en Nadia waren er ook bij.
De oude vrouw, altijd krachtvol, wanneer het alleen haarzelve gold, was vreeselijk bleek. Zij verwachtte een of ander verschrikkelijk tooneel. Het was niet zonder reden dat haar zoon voor den emir werd gebracht. Zij koesterde dan ook de grootste vrees voor hem. Ivan Ogareff zoo in het openbaar met dien knoet getroffen, die haar had moeten treffen, was er de man niet naar om dit te vergeven, en zijne wraak zou geene genade kennen. Eene of andere verschrikkelijke straf bedreigde Michael Strogoff zeker.
Moeder en zoon waren onmeedoogend van elkander gescheiden geworden, sedert het noodlottige voorval in het kamp van Zabediero en sedert hadden zij elkander niet meer gesproken. Dit verergerde hunne ellende nog meer. Marfa Strogoff had haar zoon vergeving willen vragen voor al het kwaad dat zij hem onwillekeurig berokkend had. Indien zij zich te Omsk, in het posthuis, had kunnen inhouden toen zij hem aldaar toevallig ontmoette, zou Michael Strogoff zijn weg hebben kunnen vervolgen, zonder herkend te worden, en hoeveel ongelukken zouden dan vermeden zijn.
En Michael Strogoff van zijn kant dacht wel, dat Ivan Ogareff door zijne moeder in zijne tegenwoordigheid te plaatsen, van plan was hen beiden een verschrikkelijken dood te doen ondergaan. Wat Nadia betreft, zij vroeg zich af, wat zij zou kunnen doen om beiden, moeder en zoon te redden. Zij wist niet wat te bedenken, maar zij gevoelde wel eenigszins dat zij vooral moest vermijden om de aandacht tot zich te trekken; dat zij moest veinzen! Misschien dat zij daardoor de ketenen, die den leeuw gekluisterd hielden, zou kunnen verbreken. In elk geval moest zij eene gelegenheid afwachten om te kunnen handelen.
De meeste gevangenen waren nu voorbij den emir getrokken, en terwijl zij voorbijtrokken, moest elk hunner knielen met het hoofd in het stof, ten teeken van onderworpenheid. Het was de slavernij die met de vernedering begon. Wanneer deze ongelukkigen niet snel genoeg knielden, werden zij door de ruwe hand der wachters met geweld ter aarde geworpen.
Alcide Jolivet en zijn makker konden een dergelijk schouwspel niet bijwonen zonder eene wezenlijke verontwaardiging te gevoelen.
»Het is laf, laag! Laat ons heengaan,” zeide Alcide Jolivet.
»Neen!” antwoordde Harry Blount. »Wij moeten alles zien!”
»Alles zien!.... Ha!” riep Alcide Jolivet opeens uit, zijn makker bij den arm grijpende.
»Wat scheelt u?” vroeg deze.
»Kijk Blount! Zij is het!”
»Zij?”
»De zuster van onzen reisgezel! Alléen en gevangen! Wij moeten haar zien te redden....”
»Wees maar voorzichtig,” antwoordde Harry Blount koel. »Onze tusschenkomst ten gunste van dat meisje zou haar eer nadeelig dan nuttig kunnen zijn.”
Alcide Jolivet, gereed om toe te schieten, bleef dus staan, en Nadia, die hen niet bemerkt had, trok op hare beurt voorbij den emir, zonder zijne aandacht te trekken.
Doch na Nadia, kwam Marfa Strogoff, en daar zij zich niet snel genoeg op den grond wierp, werd zij door de soldaten op eene ruwe wijze geduwd.
Marfa Strogoff viel.
Haar zoon maakte zulk eene geweldige beweging dat de soldaten, die hem bewaakten, hem nauwelijks konden bedwingen.
Doch de oude Marfa richtte zich weder op, en men was op het punt haar voort te slepen, toen Ivan Ogareff tusschen beiden kwam, zeggende:
»Die vrouw moet hier blijven!”
Wat Nadia betreft, zij kwam weer bij de andere gevangenen terecht. Ivan Ogareff had haar niet opgemerkt.
Michael Strogoff werd nu voor den emir gebracht en daar bleef hij staan, zonder de oogen neer te slaan.
»Het hoofd ter aarde!” riep Ivan Ogareff toe.
»Neen,” antwoordde Michael Strogoff.
Twee wachten wilden hem dwingen te buigen, maar zij werden ter aarde geworpen door de hand van den forschen jongen man.
Ivan Ogareff naderde Michael Strogoff.
»Gij zult sterven!” zeide hij.
»Ik zal sterven,” antwoordde Michael Strogoff trotsch; »maar uw verradersgelaat zal daarom niet minder en voor altijd het onteerend merk van den knoet dragen!”
Ivan Ogareff werd op dit antwoord afzichtelijk bleek.
»Wie is die gevangene?” vroeg de emir met eene stem des te dreigender, naar mate zij kalm was.
»Een Russisch spion,” antwoordde Ivan Ogareff. Door Michael Strogoff een spion te noemen, wist hij dat het vonnis, over hem uit te spreken, verschrikkelijk zou zijn.
Michael Strogoff schoot op Ivan Ogareff toe, doch de soldaten hielden hem tegen.
De emir gaf toen een teeken, waarop de geheele menigte het hoofd boog. Vervolgens wees hij met zijne hand naar den Koran, die hem gebracht werd. Hij opende het heilige boek en plaatste zijn vinger op een der bladen.
Het was het toeval, of liever, naar de voorstelling der Oosterlingen, God zelf die over het lot van Michael Strogoff zou beslissen. De volken van Middel-Azië geven aan dit gebruik de naam van fal. Na de zin van het vers, waarop de rechter zijn vinger gelegd heeft, uitgelegd te hebben, passen zij het vonnis toe wat het ook zijn moge.
De emir had zijn vinger op het blad van den Koran gehouden. Het hoofd der Ulema’s naderde nu, en las met luider stem een vers dat met deze woorden eindigde:
»En hij zal de dingen dezer aarde niet meer zien.”
»Russisch spion,” zeide Feofar-Khan, »gij zijt gekomen om te zien wat er in het Tartaarsche kamp omgaat! Kijk dus met beide oogen, kijk!”