EENE HOUDING VAN ALCIDE JOLIVET.

Het was een geheel legerkorps dat Ivan Ogareff den emir toevoerde. Het bestond uit een groot gedeelte van het leger dat zich van Omsk had meester gemaakt. Ivan Ogareff, het bovengedeelte der stad niet kunnende vermeesteren, had besloten het beleg op te breken, met achterlating van een voldoend observatiekorps te Omsk.

Hij voerde een aantal Russische en Siberische gevangenen met zich mede. Deze ongelukkigen moesten aan de voorposten blijven en afwachten wat Feofar-Khan omtrent hen zou beslissen.

Dit legerkorps had Omsk en Kolivan niet verlaten zonder eene menigte bedelaars, stroopers, kooplui en heidenen met zich te voeren; de gewone achterhoede van een marcheerend leger.

Onder deze heidens bevond zich de zigeunertroep, die Michael Strogoff tot Perm vergezeld had. Sangarre, die woeste verspiedster, die Ivan Ogareff met lijf en ziel toegedaan was, was er bij. Deze vrouw, bijgestaan door hare heidenen, die haar alles wat zij konden te weten komen overbrachten, hield Ivan Ogareff op de hoogte van alles wat er in het middelpunt der overweldigde provinciën voorviel.

Sangarre, vroeger in eene zeer ernstige zaak betrokken geweest, werd toen door den Russischen officier gered. Zij had niet vergeten wat zij hem verschuldigd was, en zich geheel en al aan hem gewijd. Welk bevel hij haar ook gaf, Sangarre voerde het uit; een onbegrijpelijk instinct, sterker nog dan dat der erkentelijkheid, had haar bewogen om de slavin te worden van dien verrader, met wien zij zich verbonden had sedert het oogenblik dat hij naar Siberië verbannen was. Sedert hare komst te Omsk, had zij Ivan Ogareff niet meer verlaten. De ontmoeting van Michael en Marfa Strogoff was haar bekend, alsmede de vrees die Ivan Ogareff koesterde ten opzichte van het op weg zijn van een koerier van den czaar. Daarom verloor zij Marfa Strogoff ook niet uit het oog, die zich onder de gevangenen bevond en die zij onophoudelijk bespiedde, om het woord »zoon” aan hare lippen te hooren ontglippen.

Bij het kamp aangekomen, werd Ivan Ogareff met de grootste eerbewijzen door de hooge beambten ontvangen, die hem tegemoet gezonden waren, en die hem uitnoodigden hen naar de tent van Feofar-Khan te vergezellen. Op het oogenblik dat het ruitergeleide zich in beweging zou stellen, naderde Sangarre, tusschen de ruiters doorgaande, Ivan Ogareff en bleef onbeweeglijk voor hem staan.

»Niets?” vroeg Ivan Ogareff.

»Niets.”

»Heb maar geduld.”

»Zult gij die oude vrouw weldra noodzaken om te spreken?”

»Weldra, Sangarre.”

»Wanneer zal de oude spreken?”

»Als wij te Tomsk zullen zijn.”

»En wanneer zal dat wezen?”

»Binnen drie dagen.”

De groote zwarte oogen van Sangarre glinsterden buitengewoon, en zij ging bedaard heen.

Ivan Ogareff begaf zich vervolgens naar de tent van den emir gevolgd door zijn staf van Tartaarsche officieren. Voor de tent aangekomen steeg hij van zijn paard, trad binnen en bevond zich voor den emir die hem naderde en hem een kus gaf. Deze kus had een groote beteekenis. Hij maakte Ivan Ogareff voorzitter van den raad en plaatste hem tijdelijk boven den khodja. Zich vervolgens tot Ivan Ogareff wendende, zeide Feofar:

»Ik heb u niet te ondervragen; spreek Ivan. Allen zijn gereed om u aan te hooren.”

»Takhsir,” [6] antwoordde Ivan Ogareff, »ziehier wat ik u heb mede te deelen.”

Ivan Ogareff sprak in het Tartaarsch en gaf aan zijne woorden dat hoogdravende, waardoor zich de taal der oosterlingen onderscheidt.

»Takhsir, het is de tijd niet om dien met nuttelooze woorden te verspillen. Wat ik aan het hoofd uwer troepen gedaan heb, is u bekend. De liniën van de Ichim en van de Irtisch zijn op het oogenblik in onze macht, en de Turkomansche ruiters kunnen hunne paarden laten baden in de wateren dier stroomen die nu Tartaarsch zijn geworden. De Kirgiesche horden zijn op de stem van Feofar-Khan opgestaan, en de Siberische groote weg is in uw bezit, van Ichim tot Tomsk. Gij kunt dus uwe strijdbenden richten zoowel naar het oosten waar de zon opkomt, als naar het westen waar zij ondergaat.”

»En welke raadgeving boezemt uwe trouw aan de Tartaarsche zaak u hieromtrent in?” vroeg de emir na een oogenblik stilzwijgen.

»Mijn raad,” antwoordde Ivan Ogareff levendig, »is, om de zon tegemoet te marcheeren, het gras der oostelijke steppen door de paarden der Turkomannen te laten verslinden! Irkoetsk, de hoofdstad der oostelijke provinciën, in te nemen, en met haar den gijzelaar, die eene geheele landstreek waard is. Bij gebrek van den czaar, moet zijn broeder de grootvorst in uwe handen vallen.”

Dat was het groote doel, dat Ivan Ogareff najoeg. Hem hoorende spreken, zou men hem gehouden hebben voor een dier wreede afstammelingen van Stepan-Razine, de vermaarde roover, die in de XVIIIe eeuw Zuid-Rusland verwoestte. Zich van den grootvorst meester te maken, hem onmeedoogend te treffen, dit ware eene volkomen voldoening voor zijn haat! Bovendien zou de verovering van Irkoetsk geheel oostelijk Siberië terstond onder de Tartaarsche heerschappij brengen.

»Zoo zal het geschieden,” antwoordde Feofar.

»Wat zijn uwe bevelen, Takhsir?”

»Van daag nog, zal ons hoofdkwartier naar Tomsk verplaatst worden.”

Ivan Ogareff maakte eene buiging, en verwijderde zich, gevolgd door den hoesch-bégui, om de bevelen van den emir ten uitvoer te brengen.

Op het oogenblik dat hij te paard zou stijgen, om zich naar de voorposten te begeven, hoorde men op eenigen afstand een zeker rumoer in dat gedeelte van het kamp, waar de gevangenen zich bevonden. Men hoorde geschreeuw en twee à drie geweerschoten. Was het eene poging tot opstand of tot ontvluchting, die men zocht te beteugelen?

Ivan Ogareff en de hoesch-bégui snelden toe en op eens zagen zij twee mannen voor zich, die eenige soldaten niet konden bedwingen.

De hoesch-bégui gaf, zonder dralen een wenk en beiden zouden neergeveld zijn, had Ivan Ogareff niet door een paar woorden den sabel afgewend die hen reeds bedreigde.

De Rus had opgemerkt, dat deze gevangenen vreemdelingen waren, en hij beval dat men ze voor hem zou brengen. Het waren Harry Blount en Alcide Jolivet. Zoodra Ivan Ogareff in het kamp aangekomen was, hadden zij gevraagd om voor hem gebracht te worden, doch de soldaten hadden zulks geweigerd, en vandaar die worsteling.

Ivan Ogareff keek deze reizigers, die hem geheel onbekend waren, eenige oogenblikken aan. Toch waren zij tegenwoordig geweest op de wisselplaats te Ichim, waar Michael Strogoff den slag van Ivan Ogareff ontvangen had; maar de onbeschofte reiziger had geen acht geslagen op de lieden die zich toen in de wachtkamer bevonden.

Harry Blount en Alcide Jolivet herkenden hem, integendeel, wel, en de laatste zeide fluisterend:

»Als ik mij niet vergis, dan meen ik in kolonel Ogareff den onbeschoften persoon te herkennen, dien wij op de wisselplaats te Ichim ontmoet hebben!”

»Legt gij hem onze zaak bloot, Blount. Gij zult mij een dienst bewijzen. Een Russisch kolonel in een Tartaarsch kamp te zien, walgt mij, en hoewel ik het hem te danken heb dat mijn hoofd nog op mijne schouders zit, kan ik hem toch niet zonder de grootste verachting aanzien.”

En dit gezegd hebbende, veinsde hij de volkomenste en meest hooghartige onverschilligheid.

Begreep Ivan Ogareff wat de houding van den gevangene beleedigends voor hem had? In elk geval liet hij het niet blijken.

»Wie zijt gij, heeren?” vroeg hij in het Russisch op een koelen toon, maar zonder zijne gewone ruwheid.

»Twee correspondenten van Engelsche en Fransche dagbladen,” antwoordde Harry Blount droogweg.

»Gij hebt zonder twijfel papieren die uwe identiteit kunnen bewijzen?”

»Ziehier onze geloofsbrieven bij de Engelsche en Fransche kanselarijen in Rusland.”

Ivan Ogareff las de brieven die Harry Blount hem overhandigde, en hij las ze met aandacht. Daarna zeide hij:

»Gij vraagt vergunning om onze militaire bewegingen in Siberië te volgen?”

»Wij vragen om niets anders dan om vrij te zijn,” antwoordde de Engelsche correspondent op drogen toon.

»Gij zijt vrij, mijne heeren,” antwoordde Ivan Ogareff, »en ik ben zeer verlangend om uwe artikelen in de Daily Telegraph te lezen.”

»Mijnheer,” hernam Harry Blount met de onverstoorbaarste onverschilligheid, »het kost zes pence het nummer, behalve de port.”

En hierop keerde Harry Blount zich tot zijn makker, die zijn antwoord volkomen scheen goed te keuren.

Ivan Ogareff liet niets blijken, en, te paard stijgende, verdween hij aan het hoofd van zijn geleide.

»Wel mijnheer Jolivet, wat denkt gij van kolonel Ivan Ogareff, opperbevelhebber der Tartaarsche troepen?” vroeg Harry Blount.

»Wat ik van hem denk, mijn waarde collega?” antwoordde Alcide Jolivet glimlachende, »wel niets anders dan dat die hoesch-bégui een mal figuur heeft gemaakt, toen hij bevel gaf om ons een kop kleiner te maken!”

»En,” vroeg Harry Blount, »welk gebruik zullen wij nu van onze vrijheid maken?”

»Gebruik? neen misbruik zullen wij er van maken,” antwoordde Alcide Jolivet, »wij gaan stilletjes naar Tomsk, om te kijken wat daar gebeurt.”

»Tot op het oogenblik, en moge het weldra komen, dat wij ons bij een of ander Russisch legerkorps zullen kunnen voegen!”

»Juist, mijn waarde Blount. Wij moeten toch niet geheel en al Tartaren worden! De schoonste rol hebben nog altijd zij wier wapenen de beschaving verspreiden, want dat is zeker, dat de volken van Middel-Azië, bij den tegenwoordigen inval, eerder zullen verliezen dan winnen; maar de Russen zullen wel de overhand krijgen. Het is slechts eene zaak van tijd!”

Intusschen was de komst van Ivan Ogareff, die Alcide Jolivet en Harry Blount in vrijheid gesteld had, een ernstig gevaar voor Michael Strogoff. Wanneer het toeval wilde dat Ivan Ogareff den koerier van den czaar ontmoette, dan zou hij zeker dezen herkennen als den reiziger, dien hij aan de wisselplaats van Ichim zoo onbeschoft bejegend had. Doch de komst van Ivan Ogareff had voor Michael Strogoff gelukkig ook eene goede zijde, omdat bevel was gegeven om het kamp op te breken en het hoofdkwartier naar Tomsk te verplaatsen. Dit was de vurige wensch van Michael Strogoff, want zijn voornemen was, om te gelijk met de gevangenen Tomsk te bereiken; hij zou dan geen gevaar loopen van in handen der verkenners te vallen die zich in de omstreken van die belangrijke stad in grooten getale bevonden. Tengevolge van de komst van Ivan Ogareff, en uit vrees van door dezen herkend te worden, vroeg hij zich echter af, of het niet beter zou zijn van zijn eerste voornemen af te zien en liever pogingen te doen om onderweg te ontsnappen.

Hij zou zonder twijfel dit laatste plan ten uitvoer brengen, toen hij vernam dat Feofar-Khan en Ivan Ogareff aan het hoofd van eenige duizenden ruiters reeds naar Tomsk vertrokken waren.

»Ik zal dus wachten,” zeide hij, »tenzij zich eene gunstige gelegenheid voordoe om te vluchten. Laat ik nog maar drie dagen geduld hebben, en moge God mij dan te hulp komen!”

Inderdaad was het een tocht van drie dagen, dien de gevangenen onder bewaking van eene sterke afdeeling Tartaren door de steppe moesten afleggen, een tocht gemakkelijk voor de soldaten van den emir, aan wie niets ontbrak, doch bezwaarlijk voor de gevangenen die door ontbering geheel verzwakt waren.

Te twee uur in den namiddag van 12 Augustus, bij eene zeer groote hitte en onder een onbewolkten hemel, gaf de toptschi-baschi bevel om het kamp op te breken.

Alcide Jolivet en Harry Blount, hadden zich, na paarden gekocht te hebben, op weg naar Tomsk begeven, alwaar de loop der gebeurtenissen de voornaamste personen van dit verhaal zou te zamen brengen.

Onder de gevangenen die Ivan Ogareff naar het Tartaarsche kamp had medegevoerd, bevond zich eene oude vrouw, wier stilzwijgen haar als het ware geheel van hare medegevangenen afzonderde.

Geene klacht kwam over hare lippen. Men zou gezegd hebben dat zij een standbeeld was, de smart voorstellende. Deze vrouw, bijna voortdurend onbeweeglijk en strenger dan de anderen bewaakt, werd zonder dat zij zulks vermoedde of er zich om bekreunde, aanhoudend door de zigeunerin Sangarre bespied. Ondanks haar hoogen ouderdom had zij evenals de andere gevangenen den weg te voet moeten afleggen, zonder dat hare ellende eenigszins verzacht was geworden.

Evenwel had de voorzienigheid een moedig en liefderijk wezen aan hare zijde geplaatst, die haar begreep en bijstond. Onder hare gezellinnen in het ongeluk, scheen een jeugdig meisje, merkwaardig door hare schoonheid en door eene lijdzaamheid die in niets onderdeed voor die der Siberische vrouw, zich tot taak gesteld te hebben over haar te waken. Geen woord was tusschen de beide gevangenen gewisseld geworden, maar het meisje bevond zich steeds bij de oude vrouw als haar hulp haar van nut kon zijn. Deze had evenwel niet terstond, noch zonder wantrouwen de stille zorgen van deze onbekende aangenomen, doch het open gelaat van het jonge meisje, hare ingetogenheid en de geheimzinnige toegenegenheid, die eene gemeenschappelijke smart doet ontstaan tusschen menschen die hetzelfde ongelukkig lot deelen, hadden over de trotsche koelheid van Marfa Strogoff gezegevierd. Nadia,—want zij was het—had aldus, zonder haar te kennen, aan de moeder de zorgen gewijd, die haar zoon aan haar betoond had. Te midden van deze ongelukkigen, door het lijden verbitterd, boezemden deze twee vrouwen, waarvan de eene de grootmoeder, de andere de kleindochter scheen te zijn, aan allen eene soort van eerbied in.

Nadat Nadia door de verkenners aan de Irtisch was weggevoerd naar Omsk, deelde zij daar het lot van al de gevangenen en bijgevolg dat van Marfa Strogoff. Indien zij minder zielskracht had gehad, zou zij zeker bezweken zijn onder den dubbelen slag die haar trof. De staking harer reis, de dood van Michael Strogoff hadden haar wanhopig gemaakt en haar tot morren gebracht. Voor altijd misschien van haar vader verwijderd, na zoovele gelukte pogingen, die haar nader bij hem gebracht hadden, en tot overmaat van smart, van haar onverschrokken reisgenoot gescheiden, dien God haar op haar weg had doen ontmoeten om haar doel te bereiken, had zij alles te gelijk en op eens verloren. Het beeld van Michael Strogoff dien zij door een lanssteek had zien treffen en in de wateren der Irtisch verdwijnen, stond haar voortdurend voor den geest.

»Wie zal dien doode wreken, die zichzelf niet meer wreken kan?” zeide zij tot zichzelf.

En zich tot God wendende, riep het jonge meisje in haar binnenste uit:

»Heer, laat ik dat zijn!”

Men begrijpt wel dat Nadia, in deze gedachten verzonken, geheel ongevoelig was gebleven voor al de ellende harer gevangenschap.

Het toeval had haar toen, zonder dat zij dit het minst vermoedde, met Marfa Strogoff vereenigd. Hoe had zij kunnen denken, dat die oude vrouw, evenals zij gevangen, de moeder was van haar reismakker, die voor haar niemand anders was geweest dan de koopman Nikolaas Korpanoff? En hoe had Marfa van haar kant kunnen raden dat een band van dankbaarheid die jonge onbekende aan haar zoon verbond?

Het meisje deelde met haar het weinige voedsel dat zij ging halen op het uur dat de levensmiddelen werden uitgedeeld; haar arm strekte haar tot steun op haar moeielijken tocht en het was ter wille van het jonge meisje, dat Marfa de soldaten van het konvooi mocht volgen, zonder als andere ongelukkigen, aan den knop van een zadel te worden medegesleurd.

»Dat God u beloone, mijn kind, voor al hetgeen gij voor mij doet!” zeide Marfa Strogoff, en dit waren gedurende eenigen tijd, de eenige woorden die zij uitte.

Gedurende de dagen dat zij op weg waren, dagen die haar eeuwen toeschenen, zou men gedacht hebben dat de oude vrouw en het meisje over haar beider toestand met elkander hadden moeten spreken. Doch Marfa Strogoff had door eene omzichtigheid, die licht te begrijpen is, alleen over zich zelve, en nog maar zeer kort, gesproken. Zij had noch op haar zoon, noch op hare ontmoeting met hem, gezinspeeld.

Ook Nadia sprak weinig. Op zekeren dag echter, gevoelende dat zij met eene eenvoudige doch verhevene ziel te doen had, had haar hart zich lucht gegeven en had zij, zonder iets te verbergen, al de gebeurtenissen verteld die er sedert haar vertrek van Wladimir tot den dood van Nikolaas Korpanoff hadden plaats gehad. Hetgeen zij van haar jongen reismakker verhaalde, boezemde der oude vrouw levendige belangstelling in.

»Nikolaas Korpanoff!” zeide zij. »Vertel mij nog iets van dien Nikolaas. Zijn gedrag heeft mij zeer verwonderd! Was Nikolaas Korpanoff wel zijn eigenlijke naam? Zijt ge er wel zeker van mijn kind?”

»Waarom zou hij mij dienaangaande bedrogen hebben?” antwoordde Nadia.

Doch Marfa Strogoff door eene soort van voorgevoel gedreven, deed Nadia vraag op vraag.

»Gij hebt mij gezegd dat hij onverschrokken was! Gij hebt mij bewezen dat hij zulks was!” zeide zij.

»Ja, onverschrokken! het was een leeuw, een held,” antwoordde Nadia.

»Dat zou mijn zoon ook geweest zijn,” zeide Marfa Strogoff telkens bij zich zelve.

»Maar intusschen zegt gij dat hij in het posthuis te Ichim eene verschrikkelijke beleediging verdragen heeft?”

»Die heeft hij verdragen!” antwoordde Nadia, haar hoofd latende hangen.

»Hij heeft ze verdragen?” mompelde Marfa Strogoff bevende.

»Moeder! Moeder!” riep Nadia uit, »veroordeel hem niet. Er zit een geheim achter, een geheim, waarover God alleen op dit oogenblik oordeelen kan!”

»En,” zeide Marfa, terwijl zij het hoofd ophief en Nadia aankeek alsof zij tot in het binnenste van hare ziel wilde lezen, »hebt gij op het oogenblik dier vernedering, dien Nikolaas Korpanoff niet veracht?”

»Ik heb hem bewonderd zonder hem te begrijpen,” antwoordde het meisje.

De oude vrouw zweeg een oogenblik.

»Hij was lang?” vroeg zij daarna.

»Zeer lang.”

»En zeer knap, is ’t niet? Kom, spreek mijn kind.”

»Hij was zeer knap,” antwoordde Nadia blozend.

»Het was mijn zoon! Ik zeg u dat het mijn zoon was!” riep de oude vrouw uit, Nadia omhelzende.

»Uw zoon!” antwoordde Nadia geheel verstomd, »uw zoon!”

»Kom!” zeide Marfa, »vertel voort, mijn kind! Uw makker, uw vriend, uw beschermer, hij had een moeder! Heeft hij u nooit van zijne moeder gesproken?”

»Van zijne moeder?” zeide Nadia. »Hij heeft mij van zijne moeder gesproken, zooals ik hem dikwijls van mijn vader gesproken heb! Die moeder, hij aanbad ze!”

»Nadia, Nadia! Gij vertelt me daar de geheele geschiedenis van mijn zoon,” zeide de oude vrouw.

En zij voegde er opeens bij:

»Had hij haar dan niet moeten bezoeken toen hij door Omsk trok, die moeder, die hij, naar uw zeggen, zoo beminde?”

»Neen,” antwoordde Nadia, »neen, dat moest hij niet.”

»Neen!” riep Marfa uit. »Gij hebt neen tegen mij durven zeggen?”

»Dat heb ik gezegd, maar ik moet u nog vertellen, dat ik heb meenen te begrijpen, dat Nikolaas Korpanoff het land zeer in het geheim moest doortrekken, om allergewichtigste, mij onbekende redenen. Het was voor hem eene vraag van leven en dood of liever nog, eene vraag van plicht en eer.”

»Van plicht, inderdaad, van gebiedenden plicht,” zeide de oude vrouw, »van die plichten, waaraan men alles opoffert, zelfs de vreugde van een kus, misschien den laatsten, aan zijne oude moeder te komen geven! Hetgeen ge niet weet, hetgeen ik zelve niet wist, ik weet het nu op dit oogenblik. Gij hebt mij alles doen begrijpen! Het geheim van mijn zoon, Nadia, daar hij ’t u niet gezegd heeft, ik moet ’t voor hem bewaren! Vergeef mij, Nadia! De goedheid, die gij voor mij gehad hebt, kan ik u niet vergelden!”

»Moeder, ik vraag niets,” antwoordde Nadia.