EEN ONWEDER IN HET OERAL-GEBERGTE.
Het Oeral-gebergte heeft tusschen Europa en Azië eene uitgestrektheid van bij de drie duizend wersten (3.200 kilometer). De naam Oeral, die van Tartaarschen oorsprong is, of die van Poyas, volgens de Russische benaming, beteekent »gordel.” Dezen gordel, die van de Noordelijke IJszee tot de boorden van de Kaspische Zee loopt, moest Michael Strogoff nu overtrekken, en zooals gezegd is, had hij er goed aan gedaan, den weg te nemen over Perm naar Ekaterinenburg, welke laatste stad op de oostelijke helling van het Oeral-gebergte gelegen is. De nacht zou voor dien tocht in het gebergte voldoende zijn, indien geen ongeval tusschen beiden kwam. Ongelukkig kondigde het gerommel van den donder in de verte het naderen van een onweder aan, dat door den bijzonderen toestand van den dampkring verschrikkelijk dreigde te worden.
Michael Strogoff bezorgde nu zoo goed mogelijk zijne gezellin. De kap, die een windvlaag gemakkelijk weggerukt zou hebben, werd door middel van touwen steviger bevestigd; men verdubbelde de strengen der paarden, en tot overmaat van voorzorg werd de stootplaat der assen met stroo omwonden, zoowel om de stevigheid der wielen te verzekeren als om de schokken te verzachten, die in een donkeren nacht moeielijk te vermijden zijn. Eindelijk werden achter- en voorstel, waarvan de assen eenvoudig met houten pinnen aan den bak van den tarentass bevestigd waren, door een dwarshout met schroeven en moeren aan elkander vastgeklonken.
Nadia nam achter in de tarentass plaats; Michael Strogoff zette zich naast haar. Voor de kap, die geheel opgezet was, hingen twee leeren gordijnen, die, in zekere mate, de reizigers tegen den regen en de rukwinden moesten beschutten, en links van den bok bevonden zich twee groote lompe lantarens, waarvan het flauwe licht den weg niet erg verlichtte, maar die ten minste konden dienen om het aanrijden van een of ander rijtuig te verhinderen.
Men ziet dus dat alle voorzorgen genomen waren en in dien onheilspellenden nacht was dit wel raadzaam.
»Nadia, wij zijn gereed,” zeide Michael Strogoff.
»Laat ons dan vertrekken,” antwoordde het meisje.
Het was acht uur, en de zon ging langzamerhand onder. Doch de lucht was somber, ondanks de schemering, die onder die breedte lang duurt. Zeer dikke dampen schenen het gewelf des hemels te drukken, doch geen windje verplaatste ze nog. Er zou een diepe stilte geheerscht hebben zonder het gekraak van de wielen der tarentass, het luide hijgen der buiten adem zijnde paarden en het slaan hunner hoefijzers op de keien, waaruit van tijd tot tijd vonken vlogen.
Michael Strogoff lichtte de leeren gordijnen op en bleef eenigen tijd voorovergebogen naar buiten kijken en de veranderingen in de lucht waarnemen. Tegen elf uur begon het te weerlichten, en hoe langer hoe erger. Van tijd tot tijd scheen het geratel van den donder zich met het holle gerol van het voertuig te vermengen, wanneer het over een brug van ruwe planken ging, die over eene of andere kloof geslagen was, en met het geschreeuw van den postiljon, die zijne paarden aanzette, die door de zwaarte van de lucht meer dan door de steilte van den weg vermoeid waren.
»Hoe laat zullen wij op den top van den bergpas aankomen?” vroeg Michael Strogoff aan den iemschik.
»Om éen uur in den morgen.... indien wij aankomen!” antwoordde deze het hoofd schuddende.
»Zeg eens, vriend, het is toch niet voor den eersten keer dat je een onweer in het gebergte bijwoont?”
»Neen, geve God dat dit niet mijn laatste zij!”
»Zijt ge dan bang?”
»Ik ben niet bang, maar ik zeg ’t nog eens, ge hebt verkeerd gedaan van te vertrekken.”
»Ik zou grooter ongelijk hebben gehad zoo ik gebleven ware.”
»Vooruit jongens!” riep de iemschik zijn paarden toe als een man die er niet was om te redetwisten, maar om te gehoorzamen.
Op dit oogenblik had er in het luchtruim eene trilling plaats, alsof ze voortgebracht ware door een scherp oorverdoovend gefluit dat den dampkring doorkliefde. Op het verblindend licht van den bliksem volgde opeens een verschrikkelijke donderslag, en de wind barstte woedend los. Eenige doffe geluiden duidden aan, dat eenige oude en slecht gewortelde boomen de eerste aanvallen van de hevige windvlaag niet hadden kunnen weerstaan. Een aantal verbrijzelde stammen vlogen over den weg, na met geweld op de rotsen neergekomen te zijn, en stortten links in den afgrond, op twee honderd passen van de tarentass.
De paarden waren op eens blijven stilstaan.
»Vooruit dan, kereltjes,” schreeuwde de iemschik, het geklap zijner zweep bij het gerommel van den donder voegende.
Michael Strogoff vatte de hand van Nadia.
»Slaapt ge, zuster?” vroeg hij aan haar.
»Neen, broeder.”
»Houd u tot alles gereed. Daar is onweer.”
»Ik ben gereed.”
Michael had slechts den tijd de leeren gordijnen van de tarentass dicht te doen.
De onweersbui kwam met de snelheid van den bliksem opzetten.
De iemschik sprong van zijn bok en vloog naar den kop zijner paarden om ze tegen te houden, want een verschrikkelijk gevaar bedreigde het gespan.
Inderdaad de tarentass bevond zich aan een draai van den weg, vanwaar de onweersbui kwam. Zij moest dus vlak in den wind gehouden worden, want wanneer zij op zij getroffen werd, zou zij omvergeslagen en in een diepen afgrond gestort zijn, die zich links van den weg bevond. De paarden, door den rukwind teruggedreven, steigerden, en hun voerman kon ze niet tot bedaren brengen. De arme dieren, door het weerlicht verblind, verschrikt door de onophoudelijke donderslagen, aan het losbarsten van verscheidene stukken geschut gelijk, dreigden hunne strengen te verbreken en op hol te gaan. De iemschik was zijne paarden niet meer meester.
Op dit oogenblik sprong Michael Strogoff op eens uit de tarentass en kwam hem te hulp. Begaafd met eene meer dan gewone lichaamskracht, gelukte het hem, niet zonder moeite, de paarden te beteugelen.
Maar de woede van den orkaan verdubbelde toen. De weg had op die hoogte den vorm van een trechter en de onweersbui stortte er zich in, zooals zij zich zou gestort hebben in de naar den wind gekeerde luchtkokers van een stoomschip. Terzelfder tijd begon een stortvloed van steenen en boomstammen van de helling af te rollen.
»Wij kunnen hier niet blijven,” zeide Michael Strogoff.
»Wij zullen er ook niet blijven,” riep de iemschik geheel ontsteld uit, terwijl hij zich met alle kracht tegen die verschrikkelijke verplaatsing der luchtlagen verzette. »De orkaan zal ons weldra, ja al schielijk onder aan den berg geworpen hebben.”
»Neem je linkerpaard, lafaard!” antwoordde Michael Strogoff. »Ik sta voor het rechter in!”
Een nieuwe aanval van den rukwind noodzaakte den postiljon en Strogoff zich tot op den grond te bukken, om niet omvergeworpen te worden; doch de tarentass werd ondanks hunne pogingen en die der paarden, die zij tegen den wind ophielden, een geheel eind achteruit geworpen, en zonder een boomstam, die hen tegenhield, zou zij van den weg geworpen zijn.
»Wees niet bang, Nadia,” schreeuwde Michael Strogoff.
»Ik ben niet bang,” antwoordde het meisje, zonder dat hare stem de minste aandoening verraadde.
»Wilt ge naar beneden gaan?” vroeg de iemschik.
»Neen, wij moeten naar boven! Wij moeten dien hoek om! Hooger op, zullen wij door de helling beschut worden!”
»Maar de paarden weigeren!”
»Doe zooals ik, en trek ze voort!”
»De onweersbui komt weer op!”
»Zult ge gehoorzamen?”
»Ge begeert het!”
»De vader gebiedt het!” zeide Michael Strogoff, die voor de eerste maal den naam van den keizer aanriep.
»Vooruit dan!” riep de iemschik uit, terwijl hij het rechter paard greep, en Michael Strogoff het andere.
De paarden, aldus vastgehouden, vervolgden met moeite hun weg, doch, menschen en beesten, telkens door den rukwind overvallen, konden geen drie stappen doen, of zij gingen er een of twee achteruit. Zij gleden uit, zij vielen, zij stonden weer op, en het voertuig liep gevaar van uit elkaar te raken. Indien de kap niet stevig ware bevestigd geweest, zou zij al lang afgewaaid zijn.
Michael Strogoff en de iemschik hadden twee uren noodig om dit gedeelte van den weg op te komen, dat hoogstens een halve werst lang was, en dat rechtstreeks aan de onweersbui was blootgesteld. Het gevaar bestond toen niet alleen in dien vreeselijken orkaan, maar vooral in die hagelbui van steenen en verbrijzelde boomstammen, die van het gebergte op hen neerkwamen.
Plotseling werd, bij het flikkeren van het weerlicht, een steenblok opgemerkt, dat zich met eene toenemende snelheid in de richting der tarentass bewoog. De iemschik slaakte een kreet.
Michael Strogoff wilde de paarden, door een krachtigen zweepslag, doen vooruitgaan. Zij weigerden. Eenige stappen nog en het blok zou achter de tarentass voorbijrollen!....
Michael Strogoff zag, in het twintigste eener seconde, de tarentass getroffen en zijne gezellin tegelijkertijd verpletterd! Hij begreep, dat hij geen tijd meer had om haar levend uit het voertuig te rukken!... Hij vliegt naar achter en met eene bovenmenschelijke kracht duwde hij met zijn rug het zware rijtuig eenige voeten vooruit.
Het ontzettende blok gleed in het voorbijgaan rakelings langs de borst van den jongen man en sneed hem de ademhaling af, evenals een kanonskogel zou gedaan hebben, en verbrijzelde de keisteenen van den weg, die door den schok vonken van zich afwierpen.
»Broeder!” had Nadia geheel ontsteld uitgeroepen, die alles bij het licht van den bliksem gezien had.
»Nadia,” antwoordde Michael Strogoff, »Nadia, heb maar geen vrees!”....
»Voor mij behoefde ik geen vrees te hebben!”
»God is met ons, zuster!”
»Met mij zeer zeker, broeder, wijl Hij u op mijn weg geplaatst heeft!” zeide het meisje.
Het voortduwen van de tarentass had goed geholpen dank zij de krachtsinspanning van Michael Strogoff. De paarden, geheel versuft en om zoo te zeggen voortgesleept door Michael Strogoff en den iemschik, kwamen weder op den rechten weg en bereikten een engen bergpas, die hen tegen de dadelijke aanvallen van den storm zou beschutten.
Het was nu één uur in den morgen geworden, en hoe groot het ongeduld van Michael Strogoff ook was, hij moest in dien bergpas blijven totdat het hevigste van den storm voorbij was.
»Wachten, dat is eene ernstige zaak,” zeide Michael Strogoff, »en toch is dit beter, om niet gevaar te loopen grooter vertraging te ondervinden. De hevigheid van het onweer doet mij hopen dat het weldra op zal houden. Tegen drie uur zal de dag wel aanbreken, en het afdalen, dat wij in het donker niet kunnen wagen, zal ten minste na zonsopgang zoo niet gemakkelijk, dan toch mogelijk worden.
»Laat ons wachten, broeder,” zeide Nadia, »doch indien gij uw vertrek vertraagt, dat het dan niet zij om mij eene vermoeienis of een gevaar te besparen!”
»Nadia, ik weet, dat gij besloten zijt alles te trotseeren, maar, door ons beiden in verdenking te brengen, zou ik meer dan mijn leven wagen, meer dan het uwe, ik zou den plicht verzuimen die ik boven te vervullen heb!”
»Een plicht!....” mompelde Nadia.
Op dit oogenblik verscheurde een hevige bliksemstraal het hemelgewelf en terstond weergalmde een korte donderslag. De lucht werd door eene zwavelachtige en verstikkende vloeistof vervuld, en een groep hoogstammige pijnboomen op twintig passen van de tarentass door den bliksem getroffen, ontvlamde als eene reusachtige toorts. De iemschik, door een soort van terugschok ter aarde geworpen, stond gelukkig zonder letsel weer op.
Vervolgens, nadat het laatste geratel van den donder in de diepten van het gebergte verdwenen was, voelde Michael Strogoff de hand van Nadia sterk de zijne drukken, en hij hoorde deze woorden aan zijn oor fluisteren:
»Kreten, broeder! Luister!”