NACHT EN DAG IN EENE TARENTASS.

Den volgenden dag, 19 Juli, kwam de Kaukasus aan de aanlegplaats te Perm aan, de laatste plaats die hij aan de Kama aandeed.

Het gouvernement, waarvan Perm de hoofdplaats is, is een der uitgestrektste van het Russische Rijk. Marmer- en zoutgroeven, platina- en goudlagen, steenkolenmijnen worden er op groote schaal bewerkt. In afwachting dat Perm door hare ligging eene stad van den eersten rang worde, heeft het weinig aantrekkelijks, is zeer vuil en morsig, en het heeft geene hulpbronnen. Voor hen, die van Rusland naar Siberië gaan, is dit gebrek aan gemak vrij onverschillig, want zij komen uit het binnenland en zijn van al het noodige voorzien; maar voor degenen die uit Middel-Azië komen na een lange en vermoeiende reis, zou het zeker niet onwelgevallig zijn dat de eerste Europeesche stad van het rijk, bij de Aziatische grens gelegen, beter voorzien ware.

Het is te Perm, dat de reizigers hunne voertuigen, min of meer beschadigd door een langen tocht door de vlakten van Siberië, verkoopen. Daar ook schaffen zij, die van Europa naar Azië gaan, zich gedurende den zomer rijtuigen en gedurende den winter sleden aan, alvorens zich voor eenige maanden in de steppen te wagen.

Michael Strogoff had reeds zijn reisplan vastgesteld en het wachtte slechts op de uitvoering.

Er bestaat een vrij snelle brievenpostdienst over het Oeral-gebergte, maar die dienst was door de omstandigheden van het oogenblik verstoord. En al ware dit het geval niet geweest, dan zou Michael Strogoff, die er spoedig wilde zijn, zonder van iemand af te hangen, toch niet van die gelegenheid gebruik gemaakt hebben. Hij wilde liever rijtuigen koopen en van pleisterplaats tot pleisterplaats rijden, den ijver der postiljons door navodko [4] aanwakkerende.

Maar welk voertuig dan te nemen? Eene telega of eene tarentass?

De telega is een open wagen met vier wielen en alleen uit hout vervaardigd. Wielen, assen, bouten, bak, lemoen, de boomen in den omtrek hebben alles geleverd, en de verschillende deelen waaruit dit voertuig samengesteld is, worden door dikke touwen aan elkander bevestigd. Niets is eenvoudiger, niets is doelmatiger, maar niets ook gemakkelijker te herstellen, wanneer een of ander ongeval zich op reis voordoet. Er is geen gebrek aan denneboomen op de Russische grenzen en de assen groeien natuurlijk in de wouden. Door middel van de telega heeft de buitengewone postdienst plaats. Voor dit voertuig zijn alle wegen goed. Men moet evenwel bekennen dat de touwen somtijds breken, en dat, terwijl het achterstel in een of anderen sneeuw- of modderpoel blijft steken, het voorstel op twee wielen aan de pleisterplaats aankomt.

Michael Strogoff zou nu wel genoodzaakt geweest zijn de telega te nemen, indien hij niet het geluk had gehad eene tarentass te vinden.

Niet dat dit laatste voertuig volmaakt is, want de veeren ontbreken er even zoo goed aan als aan de telega, en het hout is er, bij gebrek aan ijzer, niet aan gespaard, maar de lange as, waarmede het voorzien is, geeft het een zeker evenwicht op hobbelige en dikwijls zeer ongelijke wegen. Een slijkbord beveiligt de reizigers tegen de modder op den weg en eene groote leeren kap, die neergelaten kan worden, maakt het minder onaangenaam gedurende de groote hitte en de hevige onweersbuien van den zomer. De tarentass is overigens even zoo sterk, en evenzoo gemakkelijk te herstellen als de telega, en van den anderen kant laat dit voertuig zijn achterstel minder op de groote wegen achter.

Het was evenwel niet zonder moeite dat het Michael Strogoff gelukte eene tarentass op te sporen, en het was wel waarschijnlijk dat hij in de geheele stad Perm geene tweede zou gevonden hebben. Niettemin dong hij zeer af, enkel voor den vorm, om in zijne rol te kunnen blijven van Nicolaas Korpanoff, eenvoudig koopman van Irkoetsk.

Nadia was overal meegegaan om een voertuig te zoeken. Hoewel het doel dat zij bereiken moesten verschillend was, hadden zij toch beiden evenveel haast op de plaats hunner bestemming aan te komen en bijgevolg om te vertrekken. Men zou gezegd hebben dat éen en dezelfde wil hen bezielde!

»Zuster,” zeide Michael Strogoff, »ik had gaarne gewenscht voor u een aangenamer en gemakkelijker rijtuig te vinden.”

»Broeder, zegt gij dat tegen mij, die zoo noodig te voet ware gegaan om tot mijn vader te komen!”

»Ik twijfel niet aan uw moed, Nadia, maar er zijn lichamelijke vermoeienissen, tegen welke geene vrouw bestand is.”

»Ik zal er tegen bestand zijn, van welken aard zij ook mogen zijn. Mocht eene klacht over mijne lippen komen, laat mij dan onderweg achter en vervolg uwe reis alleen!”

Een half uur later werden, op vertoon van het podaroshna, drie postpaarden voor de tarentass gespannen. Deze dieren, met lang haar bedekt, hadden veel van beren op hooge pooten. Zij waren klein en vurig, van Siberisch ras.

Ziehier hoe de postiljon, de iemschik, ze had aangespannen: het eene, het grootste was tusschen twee lange disselboomen vastgemaakt, die aan hunne voorste uiteinden een hoepel droegen, douga genaamd, behangen met kwasten en belletjes; de twee anderen waren eenvoudig met touwen aan de beide treden van de tarentass bevestigd. Overigens geen tuig, en tot leidsels niets anders dan een eenvoudig touw.

Noch Michael Strogoff, noch het meisje voerde bagage mede. De groote haast van den een en de geringe middelen van de andere, hadden hen niet toegestaan het zich hiermede lastig te maken. Het was nu wel een geluk, want er was slechts plaats voor twee personen, zonder den postiljon mede te rekenen, die zich op zijn nauwen bok ternauwernood in evenwicht kon houden. Die postiljon wordt evenwel bij elke pleisterplaats verwisseld. Hij, wiens beurt het nu was te rijden, was een Siberiër evenals zijn paarden, en niet minder harig dan zij. Hij had al aanstonds een navorschenden blik op de reizigers van de tarentass geworpen. Geen bagage!—en waar zouden zij die voor den duivel gestopt hebben?—Dat is dus geen buitenkansje. En hij trok een veelbeteekenend gezicht.

»Raven,” zeide hij, zonder zich te bekreunen om al of niet gehoord te worden, »raven tegen zes kopeken per werst.”

»Neen! adelaars,” riep Michael Strogoff uit, die volmaakt de taal der iemschiks verstond, »adelaars hoor je, tegen negen kopeken per werst, en de fooi bovendien!”

Een vroolijk zweepgeklap antwoordde hem.

De »raaf” beteekent in de taal der Russische postiljons, den gierigen of armen reiziger, die op de boerenpleisterplaats, de paarden slechts tegen twee à drie kopeken per werst betaalt. De »arend” beteekent den reiziger die voor geen hoogen prijs terugdeinst, zonder nog de groote fooien te rekenen. Ook kan de raaf er geene aanspraak op maken even zoo snel als de keizerlijke vogel te vliegen.

Michael Strogoff en Nadia namen onmiddellijk plaats in de tarentass. De kap werd opgezet, want de hitte was dien dag ondragelijk en om twaalf uur verliet de tarentass Perm, te midden van eene wolk van stof. Michael Strogoff was aan die manier van reizen gewend. Het horten en stooten hinderde hem geenszins. Hij wist dat een Russisch span noch de keien, noch de wagensporen, noch de modderpoelen, noch de omvergeworpen boomen, noch de sloten vermijdt. Zijne reisgenoote liep gevaar door het heen en weer slingeren van de tarentass gekwetst te worden, maar zij klaagde niet.

Gedurende de eerste oogenblikken van de reis zeide Nadia niets, want zij was geheel vervuld van de gedachte om maar spoedig aan te komen.

»Ik heb drie honderd wersten tusschen Perm en Ekaterinenburg geteld, broeder!” zeide zij. »Heb ik mij vergist?”

»Gij hebt u niet vergist, Nadia,” antwoordde Michael Strogoff, »en wanneer wij Ekaterinenburg zullen bereikt hebben, zullen wij ons aan gene zijde van het Oeral-gebergte bevinden.”

»Hoe lang zal die tocht door het gebergte duren?”

»Acht en veertig uren, want wij zullen nacht en dag reizen. Ik zeg nacht en dag, want ik kan mij geen oogenblik ophouden, en ik moet onophoudelijk voort naar Irkoetsk.”

»Ik zal u niet ophouden, broeder, neen, zelfs geen uur en wij zullen nacht en dag reizen.”

»Welnu dan, Nadia, moge de inval der Tartaren ons den weg niet belemmeren, en binnen twintig dagen zullen wij aangekomen zijn!”

»Gij hebt die reis reeds meer gemaakt?” vroeg Nadia.

»Verscheidene malen.”

»In den winter zouden wij er spoediger en zekerder komen, is het niet?”

»Ja, spoediger vooral, maar ge zoudt veel door de koude en de sneeuw geleden hebben!”

»Dat is niets! De winter is de vriend van den Rus.”

»Ja, Nadia, maar wat een sterk gestel moet men hebben om aan dergelijke vriendschap weerstand te bieden! Ik heb dikwijls den warmtegraad in de Siberische steppen zien dalen tot meer dan veertig graden onder het vriespunt! Ik heb, in weerwil van mijne kleeding van rendierhuid, mijn hart voelen verstijven, mijne leden voelen krimpen, mijne voeten voelen bevriezen onder driedubbele wollen sokken! Ik heb de paarden van mijne slede bedekt gezien met een schild van ijs, en hun adem verstijfd gezien in hunne neusgaten. Ik heb den brandewijn in mijne reisflesch in een harden steen zien veranderen!.... Maar mijne slede vloog als een orkaan voort! Geene hinderpalen op de onafzienbare met sneeuw bedekte vlakte! Geen stroomen meer waarvan men genoodzaakt is de waadbare plaatsen op te zoeken! Geen meren meer die men in een boot moet oversteken! Overal het harde ijs, de vrije, de zekere weg! Maar ten koste van welk lijden, Nadia! Zij alleen zouden het kunnen zeggen, die nooit teruggekomen zijn, en waarvan de sneeuwjacht spoedig de lijken bedekt heeft!”

»Gij zijt evenwel teruggekomen, broeder,” zeide Nadia.

»Ja, maar ik ben een Siberiër, en reeds zeer jong, toen ik mijn vader op zijne jachten volgde, gewende ik mij aan dit harde leven. Maar toen gij mij zeidet, Nadia, dat de winter u niet zou tegengehouden hebben, dat gij alleen zoudt vertrokken zijn, gereed om tegen de verschrikkelijke guurheid van het Siberisch klimaat te worstelen, verbeeldde ik mij u reeds onder de sneeuw bedolven te zien!”

»Hoeveel maal zijt gij de steppen gedurende den winter doorgetrokken?” vroeg het jonge meisje.

»Driemaal, Nadia, wanneer ik naar Omsk ging.”

»En wat gingt ge te Omsk doen?”

»Mijne moeder bezoeken, die mij wachtte.”

»En ik, ik ga naar Irkoetsk waar mijn vader mij verwacht. Ik ga hem de laatste woorden van mijne moeder overbrengen! Dat wil zeggen, broeder, dat niets mij zou hebben kunnen beletten te vertrekken!”

»Gij zijt een braaf kind, Nadia,” antwoordde Michael Strogoff, »en God zelf zou u geleid hebben!”

Gedurende dien dag was de tarentass door de iemschiks, die elkander bij elke pleisterplaats opvolgden, snel vooruit gebracht. De arenden van het gebergte zouden hun naam niet onteerd hebben geacht door deze arenden van den grooten weg. De hooge prijs voor ieder paard betaald, de rijke fooien, bevalen de reizigers bijzonder aan. Misschien vonden de postmeesters ’t zonderling, dat, na de uitvaardiging van het besluit, een jonge man en zijne zuster, klaarblijkelijk beide Russen, Siberië, dat voor elk ander gesloten was, vrij konden doortrekken, doch hunne papieren waren in orde, en zij hadden het recht om te passeeren. Ook snelde de tarentass met eene ongelooflijke snelheid de mijlpalen voorbij.

Overigens waren Michael Strogoff en Nadia niet de eenigen, die den weg van Perm naar Ekaterinenburg volgden. Bij de eerste pleisterplaatsen had de koerier van den czaar vernomen, dat hem een rijtuig voor was, doch, daar hem geen paarden ontbraken, dacht hij daarover niet verder na. Gedurende dien dag werd van de weinige halten, waar de tarentass verpoosde, gebruik gemaakt om zich te ververschen. De posthuizen zijn hiertoe zeer goed ingericht. Overigens is, bij gebrek aan pleisterplaats, het huis van den Russischen boer niet minder gastvrij. De reiziger kan aan alle deuren aankloppen. Overal wordt hij goed ontvangen. De moejiek komt hem met een vriendelijk gelaat te gemoet, en steekt hem de hand toe. De vreemdeling, wanneer hij aankomt, is de bloedverwant van allen. Het is »de van God gezondene.”

’s Avonds aankomende, vroeg Michael Strogoff, als door eene soort van instinct gedreven, aan den postmeester: hoe laat het rijtuig, dat hem voorafging, de pleisterplaats verlaten had.

»Twee uren geleden,” antwoordde de postmeester.

»Het is eene berline?”

»Neen, eene telega.”

»Hoeveel reizigers?”

»Twee.”

»En rijden zij snel?”

»Het zijn arenden!”

»Dat men spoedig inspanne.”

Michael Strogoff en Nadia besloten geen uur op te houden, en reisden den geheelen nacht door.

Het bleef mooi weer, doch de lucht werd langzamerhand drukkender en men vreesde voor een onweder, dat in de bergen altijd verschrikkelijk is.

De nacht liep evenwel goed af. Ondanks het stooten van de tarentass, kon Nadia eenige uren slapen. De half opgezette kap liet toe om de weinige lucht in te ademen, waarnaar de longen zoozeer verlangden in den verstikkenden dampkring.

Michael Strogoff bleef den geheelen nacht wakker, daar hij de iemschiks niet vertrouwde, die dikwijls op den bok in slaap vallen.

Den volgenden dag, 20 Juli, tegen acht uur in den morgen, werd het Oeral-gebergte in het oosten zichtbaar.

Gedurende dien dag bleef de lucht onophoudelijk betrokken, en de luchtgesteldheid was daardoor een weinig draaglijker, maar het weer was schrikkelijk stormachtig.

Misschien ware het voorzichtiger geweest, zich niet midden in den nacht in het gebergte te wagen, en dat zou Michael Strogoff gedaan hebben, indien hij had kunnen wachten; maar toen de postiljon van de laatste wisselplaats hem op het naderen van het onweer opmerkzaam maakte, vergenoegde hij met te zeggen:

»Eene telega is ons nog altijd vooruit?”

»Ja.”

»Hoeveel is zij ons vooruit?”

»Ongeveer een uur.”

»Vooruit dan, en eene driedubbele fooi, indien wij morgen ochtend te Ekaterinenburg zijn!”