DE WOLGA AFVARENDE.
Even vóor twaalf uur deed het geluid der bel van het stoomschip eene groote menigte naar de aanlegplaats bij de Wolga toestroomen. De stoomketels van de Kaukasus hadden voldoende drukking. Uit den schoorsteen ontsnapte slechts een lichte rook.
Het spreekt vanzelf dat de politie het vertrek van de Kaukasus bewaakte, en zich onmeedoogend betoonde jegens de reizigers, welke niet konden voldoen aan de voorwaarden gesteld om de stad te verlaten.
Talrijke kozakken reden heen en weer op de kade, gereed om de agenten hulp te verleenen, doch zij behoefden niet tusschen beiden te komen, daar alles zonder weerstand afliep.
Op het bepaalde uur weergalmde het laatste gelui, de kabels werden gevierd; de groote raderen der stoomboot zetten zich in beweging, en de Kaukasus voer snel tusschen de beide steden door, waaruit Nijni-Novgorod bestond. Michael Strogoff en het jonge Lijflandsche meisje hadden plaats genomen aan boord van de Kaukasus, en wel zonder de minste moeite, dank zij het podaroshna, dat op naam van Nicolaas Korpanoff afgegeven, dezen koopman machtigde iemand op zijne reis door Siberië mede te nemen.
Beiden, op het achterschip gezeten, zagen de stad verdwijnen, die zoo zeer verontrust was door het besluit van den gouverneur.
Michael Strogoff had niets aan het jonge meisje gezegd. Hij had haar naar niets gevraagd. Hij wachtte totdat zij het goed vond te spreken. Zij was blijde die stad verlaten te hebben, alwaar zij, zonder de tusschenkomst van dien onverwachten beschermer, gevangen zou gebleven zijn. Zij zeide niets, maar haar blik bedankte voor haar.
De Wolga, de Rha der ouden, wordt als de grootste rivier van Europa beschouwd, en haar loop is niet minder dan vier duizend wersten lang (4.300 kilometer). Hare wateren, vrij ongezond aan haar oorsprong, worden te Nijni-Novgorod gewijzigd door die van de Oka, eene snelle nevenrivier die uit de middel-provinciën van Rusland wegstroomt. Zij wordt bevaarbaar bij Rjef, eene stad in het gouvernement Twer.
De booten der vervoermaatschappij tusschen Perm en Nijni-Novgorod leggen vrij snel de drie honderd vijftig wersten af (373 kilometer) die deze stad van de stad Kazan scheiden. Het is waar, dat die stoombooten slechts de Wolga hebben af te varen, die door haar snellen stroom ongeveer twee mijlen aan hunne eigen snelheid toevoegt. Doch wanneer zij aan de samenvloeiing van de Kama, even beneden Kazan aankomen, zijn zij genoodzaakt deze laatste rivier tot Perm op te varen. Dus, alles wel gerekend, en hoewel hare machine zeer krachtig was, kon de Kaukasus niet meer dan zestien wersten per uur afleggen. Met een uur oponthoud te Kazan moest dus de reis van Nijni-Novgorod naar Perm ongeveer zestig à twee en zestig uren duren.
Deze stoomboot was overigens zeer goed ingericht en verdeeld in drie klassen. Michael Strogoff had er voor gezorgd twee hutten eerste klasse af te huren, zoodat zijne jonge reisgenoote zich in de hare kon afzonderen, zoo dikwijls als zij zulks goed vond.
De Kaukasus was opgepropt met passagiers van allerlei soort. Een zeker aantal Aziatische handelaars hadden het raadzaam geoordeeld Nijni-Novgorod onmiddellijk te verlaten. In de eerste klasse zag men Armeniërs, Joden, Chineezen, Turken, Hindoes en Tartaren. Al die kooplieden hadden in het ruim en op het dek hunne talrijke goederen moeten opeenstapelen, waarvan het transport hun duur zou kosten, want volgens het tarief hadden zij slechts recht op een gewicht van twintig pond per persoon.
Voor op de Kaukasus waren de passagiers talrijker. Niet alleen bevonden er zich vreemdelingen, maar ook Russen, aan wie het besluit niet verbood naar de steden der provincie terug te keeren. Het waren voornamelijk passagiers derde klasse die zich gelukkig weinig om eene lange terugreis bekreunden.
Evenwel stevende de Kaukasus met al de snelheid harer raderen tusschen de oevers van de Wolga door, dwars door talrijke schepen die door stoomvaartuigen stroomopwaarts gesleept werden, en die allerhande soorten van koopwaren naar Nijni-Novgorod vervoerden.
Na twee uren varens richtte het jonge Lijflandsche meisje zich tot Michael Strogoff en zeide:
»Gaat ge naar Irkoetsk, broer?”
»Ja, zuster,” antwoordde de jonge man. »Wij maken beiden dezelfde reis. Bijgevolg, overal waar ik doorkom, zult gij ook doorkomen.”
»Morgen, broer, zult gij vernemen waarom ik het strand der Oostzee verlaten heb, om mij naar gene zijde van den Oeral te begeven.”
»Ik vraag naar niets, zuster.”
»Gij zult alles vernemen,” antwoordde het jonge meisje, wier lippen flauw een treurigen glimlach vertoonden. »Eene zuster moet niets voor haar broeder verborgen houden. Maar, vandaag zou ik niet kunnen!.... De vermoeienis, de wanhoop hebben mij afgemat!”
»Wilt ge niet in uwe hut gaan uitrusten?” vroeg Michael Strogoff.
»Ja.... ja.... en morgen....”
»Kom dan mee....”
Hij aarzelde om zijn volzin te eindigen, alsof hij dien met den naam zijner gezellin, dien hij nog niet kende, had willen besluiten.
»Nadia,” zeide zij, hem de hand toereikende.
»Kom, Nadia,” zeide Michael Strogoff, »en beschik vrij over uw broeder Nikolaas Korpanoff.”
En hij bracht het jonge meisje in de hut, die hij voor haar afgehuurd had.
Michael Strogoff kwam op het dek terug, en nieuwsgierig naar de tijdingen, die de richting zijner reis wellicht zouden kunnen wijzigen, mengde hij zich onder de passagiers, luisterende, maar geen deel nemende aan de gesprekken. Trouwens, indien het toeval wilde dat hij ondervraagd werd, en hij zou moeten antwoorden, zou hij zich uitgeven voor den koopman Nikolaas Korpanoff, dien de Kaukasus naar de grenzen voerde, want hij wilde niet dat men kon vermoeden dat hij vergunning had om door Siberië te reizen.
Het was te begrijpen dat de vreemdelingen op de boot over niets anders spraken dan over de gebeurtenissen van den dag, Over het besluit en zijne gevolgen. Die arme lieden, nauwelijks bekomen van de vermoeienissen van eene reis door Middel-Azië, zagen zich genoodzaakt terug te gaan en indien zij aan hun toorn en aan hunne wanhoop geen lucht gaven, was het omdat zij niet durfden. Eene met eerbied gemengde vrees weerhield hen. Het kon mogelijk zijn dat inspecteurs van politie, belast met de passagiers te bewaken, zich heimelijk aan boord van de Kaukasus hadden ingescheept, en dan was het maar beter te zwijgen: de uitzetting was in elk geval te verkiezen boven opsluiting in eene vesting.
Michael Strogoff kon dus van dien kant niets te weten komen, want, daar men hem niet kende, zweeg men menigmaal wanneer men hem zag naderen. Zijne ooren werden evenwel opeens getroffen door eene schelle en vroolijke stem, die er zich weinig om bekommerde al of niet gehoord te worden.
De man met die vroolijke stem sprak Russisch, doch met eene vreemde uitspraak, en hij, tot wien hij sprak, meer terughoudend en voorzichtig, antwoordde hem in dezelfde taal, die ook niet zijne eigen taal was.
»Hoe,” zeide de eerste, »hoe! gij op deze boot, mijn waarde collega, gij, dien ik op het keizerlijk feest te Moskou ontmoet en te Nijni-Novgorod maar even gezien heb?”
»Ik in persoon,” antwoordde de tweede droog weg.
»Ronduit gezegd, ik dacht niet zoo onmiddellijk door u gevolgd te worden, en van zoo nabij!”
»Ik volg u niet, mijnheer, ik ga u voor!”
»Voorgaan! Voorgaan! Laat ons veronderstellen dat wij naast elkaar gaan, in denzelfden pas, zooals twee soldaten op de parade, en laat ons, zoo ge zulks wilt, met elkander overeenkomen, ten minste voorloopig, dat de een den ander niet vooruitga!”
»Integendeel, ik zal u vooruitgaan.”
»Dat zullen wij zien, wanneer wij ons op het tooneel van den oorlog zullen bevinden; maar voor den duivel! laten wij tot daar toe reisgenooten zijn. Later zullen wij wel tijd en gelegenheid hebben om mededingers te zijn!”
»Vijanden.”
»Vijanden, ook goed! Gij hebt in uwe woorden, mijn waarde collega, eene juistheid, die mij bijzonder aanstaat. Met u weet men ten minste, waaraan men zich te houden heeft!”
»Welk kwaad is daar bij?”
»Er is geen kwaad bij. Ook vraag ik, op mijne beurt, u verlof onze wederzijdsche verstandhouding juist te mogen bepalen.”
»Goed.”
»Gij gaat naar Perm.... zooals ik?”
»Zooals gij.”
»En waarschijnlijk van daar naar Ekaterinenburg, omdat het de beste en zekerste weg is om over het Oeral-gebergte te komen.”
»Waarschijnlijk.”
»Wanneer wij eens de grens over zijn, dan zullen wij in Siberië zijn.... dat is te zeggen, in het overheerde land.”
»Dat zullen wij!”
»Welnu dan, maar ook dan eerst, zal het oogenblik daar zijn om te zeggen: »Ieder voor zich, en God voor....”
»God voor mij!”
»God voor u, geheel alleen! Zeer goed! Maar daar wij nog acht dagen van onzijdigheid vóor ons hebben, en het zeer zeker met nieuwstijdingen onderweg niet druk zal gaan, laat ons dan vrienden zijn tot op het oogenblik dat wij opnieuw mededingers worden.”
»Vijanden.”
»Ja! juist, vijanden! Maar laat ons dan tot dien tijd eenstemmig handelen en elkander niet verscheuren! Ik beloof u overigens, dat ik al hetgeen ik zal zien voor mij zal houden.”
»En ik, hetgeen ik zal hooren.”
»Alzoo afgesproken?”
»Afgesproken.”
»Uwe hand er op?”
»Ziedaar.”
En de hand van den eerste, dat wil zeggen vijf wijd geopende vingers, schudde flink de twee vingers, die hem de tweede flegmatisch toestak.
»O! ja,” zeide de eerste, »ik heb van morgen reeds om tien uur zeventien minuten aan mijne nicht den tekst van het besluit kunnen telegrapheeren.”
»En ik, ik heb reeds om tien ure dertien aan de Daily Telegraph geseind.”
»Bravo, mijnheer Blount.”
»Wel vriendelijk, mijnheer Jolivet.”
»Tot wederdienst bereid.”
»Dat zal moeielijk zijn!”
»Men zal het evenwel beproeven!”
Dit zeggende, groette de Fransche verslaggever den Engelschen correspondent zeer vertrouwelijk, die het hoofd buigende, zijn groet met echt Britsche stijfheid beantwoordde.
Het besluit van den gouverneur had geene betrekking op de beide nieuwsjagers, omdat zij noch Russen, noch van Aziatischen oorsprong waren. Zij waren dus vertrokken, en, als door hetzelfde instinct gedreven hadden zij te samen Nijni-Novgorod verlaten en bijgevolg van hetzelfde middel van vervoer gebruik gemaakt om de Siberische steppen te bereiken.
Alcide Jolivet en Harry Blount aldus hoorende praten, had Michael Strogoff tot zich zelf gezegd: »Die twee heeren zijn nieuwsgierige en onbescheiden klanten, die ik waarschijnlijk op mijn weg zal ontmoeten. Ik moet voorzichtig zijn en hen op een afstand houden.”
Het Lijflandsche meisje rustte nog steeds uit in hare hut, en Michael Strogoff wilde haar niet wakker maken. De avond brak dus aan zonder dat zij op het dek van de Kaukasus verscheen.
De lange schemering had den dampkring nu zeer opgefrischt, waarnaar de passagiers, na de drukkende hitte van den dag, snakten. Toen het reeds ver in den nacht was geworden, dachten de meesten er niet meer aan om het dek te verlaten. Langzamerhand vielen zij in slaap en de stilte werd enkel gestoord door den geregelden slag van de schepborden op het water.
Zekere ongerustheid hield Michael Strogoff wakker. Hij liep heen en weer, maar immer achterop het dek. Eenmaal evenwel overschreed hij de machinekamer en bevond zich toen op dat gedeelte van het dek, bestemd voor de reizigers der tweede en derde klasse.
Daar sliep men, niet alleen op de banken, maar ook op de goederen, en zelfs op dekplanken. Alleen de matrozen van de wacht stonden op het voordek.
Men moest zeer voorzichtig zijn, om de slapenden, die hier en daar uitgestrekt lagen, niet te trappen, want men zou zeer slecht ontvangen zijn.
Michael Strogoff paste dus op om tegen niemand aan te stooten. Met zoo naar het andere einde der boot te loopen, had hij geen ander doel dan den slaap door eene eenigszins langere wandeling te bestrijden. Op het voordek gekomen, hoorde hij opeens in zijne nabijheid praten. De stemmen schenen te komen uit eene groep passagiers, in shawls en dekens gewikkeld, die men onmogelijk in den donker kon bemerken.
Michael Strogoff wilde doorgaan, toen hij duidelijker zekere woorden hoorde, in eene taal die reeds zijn oor getroffen had, in den nacht op het jaarmarktplein.
Instinctmatig luisterde hij. Dank zij de duisternis op het voordek, kon hij niet opgemerkt worden; evenzeer was het hem onmogelijk de passagiers te zien die met elkander spraken. Hij moest zich dus tot luisteren bepalen. De eerste woorden, die gewisseld werden, waren van geenerlei belang—ten minste voor hem—maar zij deden hem de twee stemmen herkennen van de vrouw en van den man, die hij te Nijni-Novgorod gehoord had. Van dit oogenblik af luisterde hij met eene verdubbelde oplettendheid. Het was inderdaad niet onmogelijk dat die Zigeuners, van wier gesprek hij een gedeelte opgevangen had, zich met huns gelijken aan boord van de Kaukasus bevonden.
En het was goed voor hem dat hij luisterde, want hij hoorde duidelijk deze vraag en dit antwoord, in een Tartaarsche tongval uitgesproken:
»Men zegt dat een koerier van Moskou naar Irkoetsk vertrokken is!”
»Dat zegt men, Sangarre, maar die koerier zal of te laat aankomen, of hij zal niet aankomen!”
Michael Strogoff sidderde onwillekeurig op dit antwoord dat hem zoo rechtstreeks aanging. Hij beproefde te ontdekken of de man en de vrouw, die gesproken hadden, wel degenen waren, die hij vermoedde; maar het was te donker en het gelukte hem niet.
Eenige oogenblikken daarna, was Michael Strogoff zonder opgemerkt te zijn, op het achterdek terug, en was hij met zijn hoofd in zijn handen alleen gaan zitten. Men zou gezegd hebben dat hij sliep.
Hij sliep niet en dacht er niet aan om te slapen. Daarover maakte hij zich bezorgd en zat hij te peinzen.
»Aan wien toch is mijn vertrek bekend, en wie kan er belang bij hebben het te weten?”