EEN BESLUIT IN TWEE ARTIKELEN.
Nijni-Novgorod, of Laag Novgorod, gelegen aan de samenvloeiing van de Wolga en de Oka, is de hoofdplaats van het gouvernement van dien naam. Daar moest Michael Strogoff den trein verlaten, die op dit tijdstip niet verder ging. Naarmate hij dus vorderde, werden de middelen van vervoer minder snel, vervolgens minder veilig.
Nijni-Novgorod, dat gewoonlijk niet meer dan dertig à vijf en dertig duizend inwoners telt, bevatte er nu meer dan drie honderd duizend, dat wil zeggen, dat zijne bevolking was vertienvoudigd.
Deze vermeerdering was het gevolg van de beroemde jaarmarkt, die gedurende drie weken binnen hare muren gehouden wordt. Vroeger was het Makariew, dat voordeel trok van dezen toeloop van kooplieden, maar sedert 1817 is de jaarmarkt naar Nijni-Novgorod verlegd.
De stad, gewoonlijk vrij doodsch, vertoonde dus nu eene buitengewone levendigheid. Tien verschillende rassen van kooplieden, Europeanen of Aziaten, verbroederden zich onder den invloed van handelsaangelegenheden.
Hoewel het vrij laat was, toen Michael Strogoff het station verliet, was er nog veel volk op de been in deze twee steden, door den loop der Wolga gescheiden, die Nijni-Novgorod bevat, en waarvan het hoogere gedeelte, op eene steile rots gebouwd, verdedigd wordt door een dier forten, in Rusland »Kreml” genoemd.
Indien Michael Strogoff genoodzaakt was geweest te Nijni-Novgorod te overnachten, zou hij eenige moeite gehad hebben, een geschikt hotel of zelfs eene herberg te vinden. Alles was bezet. Daar hij evenwel niet aanstonds kon vertrekken, omdat hij de stoomboot van de Wolga moest nemen, moest hij naar een of ander verblijf omzien. Maar van te voren wilde hij nauwkeurig het uur van vertrek weten, en hij begaf zich naar de bureaux der maatschappij, wier schepen dienst doen tusschen Nijni-Novgorod en Perm. Daar vernam hij, tot zijne groote spijt, dat de Kaukasus—dat was de naam der stoomboot—niet eerder dan den volgenden dag, ’s middags, naar Perm vertrok. Zeventien uren wachten! Dat was onaangenaam voor een man, die zoo gehaast was, en toch moest hij er zich in schikken. Dat deed hij ook, want hij pruttelde nooit onnoodig.
Daarenboven zou, in de tegenwoordige omstandigheden, geen rijtuig, telega of tarentass, berline of postwagen, noch eenig paard, hem spoediger gebracht hebben, hetzij naar Perm of naar Kazan. Het was dus beter om het vertrek van den stoomboot af te wachten, een sneller vervoermiddel dan elk ander, en die hem den verloren tijd zou doen inhalen.
Ziedaar dus Michael Strogoff, naar de stad gaande, zonder zich al te angstig te maken, een herberg opzoekende, ten einde te overnachten. Doch hierover bekommerde hij zich weinig, en zonder den honger, die hem kwelde, zou hij waarschijnlijk tot den morgen door de straten van Nijni-Novgorod gedwaald hebben. Hetgeen hij dus zocht was een avondmaal, eerder dan een bed. Doch beiden vond hij daar, waar het uithangbord »de stad Constantinopel” uithing. De logementhouder gaf hem daar eene vrij goede kamer, schraaltjes gemeubileerd, maar waaraan het beeld van de Heilige Maagd niet ontbrak, noch de portretten van enkele heiligen, voor wie een met goud geborduurde stof tot lijst diende. Eene eend met zuur gehakt gevuld, in dikke room zwemmende, gerstebrood, gestremde melk, fijne suiker met kaneel vermengd, een pot kwass, eene soort bier, in Rusland zeer algemeen, werden hem dadelijk voorgezet, en hij had meer dan noodig was om zijn honger te stillen. Hij verzadigde zich dus en beter dan zijn tafelbuur, die, in hoedanigheid van oud-geloovige, van de sekte der Raskolniks, eene belofte van onthouding afgelegd hebbende, de aardappelen van zijn bord wegwierp en zich wel wachtte suiker in zijne thee te doen.
Toen zijn avondmaal afgeloopen was, hernam Michael Strogoff, in plaats van naar zijne kamer te gaan, onwillekeurig zijne wandeling door de stad, maar hoewel de lange schemering nog voortduurde, verdween de menigte, werden de straten langzamerhand leeg en zocht ieder zijn verblijf op.
Waarom had Michael Strogoff zich maar niet eenvoudig naar bed begeven, zooals het betaamt na den geheelen dag in het spoor doorgebracht te hebben? Dacht hij aan het jonge Lijflandsche meisje, dat gedurende eenige uren zijne reisgenoote geweest was? Niets beter te doen hebbende, dacht hij aan haar. Vreesde hij, dat zij, in die woelige stad als verloren, misschien bloot zou staan aan eene beleediging? Hij vreesde zulks en hij had er reden voor. Hoopte hij haar dan terug te zien, en desnoods haar tot beschermer te dienen? Neen. Haar te ontmoeten was moeilijk. Wat het beschermen aangaat.... met welk recht?
»Alléen,” zeide hij bij zich zelf, »alléen, te midden van dat zwervende volk! En daarentegen zijn de tegenwoordige gevaren niets in vergelijking van die, waaraan zij nog kan blootstaan!”
»Siberië! Irkoetsk! Hetgeen ik voor Rusland en de czaar ga beproeven, doet zij voor.... voor wie? voor wat? Zij heeft het recht om over de grenzen te gaan en het land aldaar is in opstand! Tartaarsche benden loopen de steppen af!....”
Michael Strogoff bleef van tijd tot tijd stilstaan en begon na te denken.
»Zonder twijfel, dacht hij, is dat reisplan bij haar opgekomen vóor den inval. Misschien is zij zelfs onwetend van hetgeen er omgaat!.... Maar neen, de kooplieden hebben in hare tegenwoordigheid over de onlusten in Siberië gesproken.... en zij was volstrekt niet verwonderd.... zij heeft zelfs geene enkele uitlegging gevraagd.... Maar zij wist het dus en zulks wetende gaat zij!.... Het arme meisje!.... het schijnt dat de beweegreden wel machtig moet wezen! Maar hoe moedig zij ook is—en zij is het zeer zeker,—zullen hare krachten haar op weg begeven, en zonder nog te spreken over de gevaren en de hinderpalen, kan zij onmogelijk de vermoeienissen van zulk eene reis verdragen!... Nooit zal zij Irkoetsk kunnen bereiken!”
Intusschen liep Michael Strogoff op goed geluk af rond, maar daar hij de stad volkomen kende, kon het terugvinden van den weg voor hem geen zwarigheid opleveren.
Na ongeveer een uur geloopen te hebben ging hij op eene bank zitten, staande tegen eene houten tent, die zich te midden van meer anderen op een groot plein bevond.
Hij zat daar ongeveer vijf minuten, toen een hand vrij ruw op zijn schouder neerkwam.
»Wat doet gij daar?” vroeg hem de ruwe stem van een langen kerel, dien hij niet had zien aankomen.
»Ik rust uit,” hernam Michael Strogoff.
»Zoudt gij plan hebben om den nacht op deze plank door te brengen?” hernam de man.
»Ja, wanneer mij zulks bevalt,” hernam Michael Strogoff op een eenigszins te scherpen toon voor den eenvoudigen koopman, dien hij moest zijn.
»Nader dan, dat men u zien kan!” zeide de man.
Michael Strogoff, zich herinnerende dat hij bovenal voorzichtig moest zijn, ging werktuiglijk terug.
»Het is niet noodig mij te zien,” hernam hij.
En hij trok bedaard een tiental passen achteruit.
Dien kerel goed opnemende, kwam het hem voor dat hij te doen had met eene soort van zigeuner, zooals men die op alle kermissen aantreft, en met wien het niet aangenaam is, in stoffelijke of zedelijke aanraking te komen. Vervolgens, meer nauwkeurig in de duisternis kijkende, die langzamerhand dichter werd, bemerkte hij in de nabijheid van de tent een grooten wagen, dat gewone en beweeglijke verblijf der heidens, die in Rusland krioelen, overal waar eenige kopeken te verdienen zijn.
Ondertusschen had de zigeuner twee à drie passen naar voren gedaan en was hij voornemens om Strogoff meer bepaald te ondervragen, toen de deur van de tent openging.
Eene vrouw, nauwelijks zichtbaar, naderde haastig, en in een vrij ruwen tongval, dien Strogoff hield voor een mengsel van Mongoolsch en Siberisch, zeide zij:
»Al weer een spion! laat hem gaan en kom eten, de papluka [3] is klaar.”
Michael Strogoff kon niet nalaten te glimlachen over de benaming die men hem gaf, aan hem die voor spionnen in ’t bijzonder bevreesd was.
Maar in dezelfde taal, hoewel de uitspraak van den spreker, zeer verschillend was van die der vrouw, antwoordde de zigeuner met eenige woorden die beteekenden:
»Gij hebt gelijk, Sangarre! morgen zijn wij toch vertrokken!”
»Morgen?” hernam de vrouw zeer zacht op een toon, die eene zekere verwondering aanduidde.
»Ja, Sangarre,” antwoordde de zigeuner, »morgen, en het is de Vader zelf, die ons zendt, waar wij willen heengaan!”
Daarop gingen man en vrouw de tent binnen, waarvan de deur zorgvuldig gesloten werd.
»Mooi!” zeide Strogoff, »indien deze zigeuners niet begrepen willen worden, wanneer zij onder elkander spreken, raad ik hun aan zich van eene andere taal te bedienen.”
In zijne hoedanigheid van Siberiër en door zijne kindsheid in de steppen doorgebracht te hebben, verstond Michael Strogoff bijna al de tongvallen, in zwang van Tartarije tot aan de IJszee.
Wat de juiste beteekenis betreft der woorden tusschen den zigeuner en zijne vrouw gewisseld, daar brak hij zijn hoofd niet mee. In hoever kon dit hem ook belang inboezemen?
Daar het reeds vrij laat was dacht hij er over om naar zijn logement terug te keeren, ten einde daar eenige rust te nemen. Hij stond op en volgde den loop der Wolga, waarvan de wateren verdwenen onder de sombere massa van ontelbare schepen. De richting van de rivier deed hem de plaats herkennen die hij verlaten had. Deze opeenhooping van karren en van tenten nam juist het uitgestrekte plein in, waar elk jaar de voornaamste jaarmarkt van Nijni-Novgorod gehouden werd,—hetgeen de verzameling, hier ter plaatse, van goochelaars en zigeuners, uit alle hoeken der wereld toegestroomd, ophelderde.
Michael Strogoff sliep een uur daarna eenigszins onrustig op een van die Russische bedden die de vreemdelingen zoo hard vinden, en den volgenden morgen, 17 Juli ontwaakte hij toen het reeds lang dag was. Nog vijf uren te Novgorod te moeten doorbrengen, dat scheen hem eene eeuw toe. Wat kon hij uitvoeren om dezen morgen klein te krijgen, niets anders dan even als den vorigen dag door de straten van de stad te gaan dwalen.
Na ontbeten, zijn reiszak toegemaakt te hebben en zijn podaroshna aan het politiebureau te hebben laten afteekenen, zou niets hem belet hebben om te vertrekken. Maar er de man niet naar zijnde om na zonsopgang op te staan, verliet hij zijn bed, kleedde zich aan en verborg zeer zorgvuldig den brief met het keizerlijke wapen in een zak, die in de voering van zijne tunica gemaakt was, en waarover hij zijn gordel vastmaakte; vervolgens sloot hij zijn reiszak en bevestigde hem op zijn rug. Dit gedaan hebbende en niet meer in »de stad Constantinopel” willende terugkeeren en er op rekenende aan de oevers van de Wolga, in de nabijheid van de aanlegplaats te ontbijten, betaalde hij en verliet het logement.
Uit groote bezorgdheid begaf Michael Strogoff zich dadelijk naar de bureaux van de stoomschepen, en daar vergewiste hij zich dat de Kaukasus werkelijk op het bepaalde uur vertrok. Voor de eerste maal kwam bij hem de gedachte op, daar het jonge Lijflandsche meisje de route over Perm moest nemen, dat het zeer mogelijk zou kunnen zijn, dat het ook haar plan was plaats te nemen op de Kaukasus; in welk geval Michael Strogoff er op rekenen kon met haar de reis te maken.
De bovenstad met haar Kremlin, waarvan de omtrek twee wersten lang is, en ’t welk op dat van Moskou gelijkt, was toen zeer verlaten. De gouverneur woonde er zelfs niet meer. Maar, zoo doodsch de bovenstad was, zoo levendig was de benedenstad.
Nadat Michael Strogoff op eene schipbrug de Wolga was overgetrokken, bewaakt door Kozakken te paard, kwam hij op de plaats, waar hij den vorigen avond in aanraking was geweest met een of ander zigeunerkamp. Het was even buiten de stad waar deze jaarmarkt te Nijni-Novgorod gehouden werd, waarmede die van Leipzig zelfs niet kon wedijveren. Op eene groote vlakte, aan gene zijde van de Wolga gelegen, verhief zich het tijdelijk paleis van den Gouverneur-Generaal, die daar op hooger bevel moet verblijfhouden, gedurende den geheelen tijd van de jaarmarkt, die, dank de bestanddeelen waaruit zij is samengesteld, eene onophoudelijke bewaking noodzakelijk maakt.
Op deze vlakte stonden toen houten kramen, regelmatig op zoodanige wijze geplaatst, dat er vrij breede lanen tusschen beide waren, om aan de menigte het rondloopen gemakkelijk te maken. Eene zekere verzameling dezer kramen van allerlei grootte en verschillenden vorm, maakte eene verschillende wijk uit, bestemd voor een bijzonderen tak van handel. Er waren: de wijk voor ijzerwaren, de wijk voor pelterijen, de wijk voor wol, de wijk voor hout, de wijk voor geweefde goederen, de wijk voor gedroogde visch, enz.
Eenige huizen waren zelfs vervaardigd uit bouwstoffen van de zonderlingste soort; sommige uit pakjes thee in den vorm van klinkers, andere met blokken steen uit gezouten vleesch bestaande, dat wil zeggen, uit de monsters der koopwaren, welke hunne eigenaars er aan de koopers sleten. Eene zonderlinge wijze om artikelen aan te bevelen, min of meer Amerikaansch.
In die lanen en gangen was, daar de zon reeds hoog boven den gezichteinder stond, omdat zij dien morgen voor vier uur was opgegaan, de toeloop van menschen bereids zeer aanzienlijk. Russen, Siberiërs, Duitschers, Kozakken, Turkomannen, Perzen, Georgiërs, Grieken, Ottomannen, Hindoes, Chineezen,—een zonderling mengelmoes van Europeanen en Aziaten,—praatten, twistten, redekavelden en handelden. Alles wat te koopen en te verkoopen was, scheen op dit plein opgehoopt te zijn. Sjouwerlieden, paarden, kameelen, ezels, booten, karren, alles wat noodig is tot verzending der koopwaren was op dit kermisveld opeengehoopt. Pelterijen, kostbare steenen, zijden stoffen, Indische shawls, Turksche tapijten, wapenen van den Kaukasus, geweefde goederen van Smyrna of Ispahan, wapenrustingen uit Tiflis, karavanen-thee, Europeesche bronzen, Zwitsersche uurwerken, fluweelen en zijden stoffen van Lyon, Engelsche katoenen, rijtuigbenoodigdheden, vruchten, groenten, ertsen uit het Oeral-gebergte, malachieten, lazuursteen, welriekende kruiden, reukwerk, geneeskrachtige planten, hout, teer, touwwerk, horens, pompoenen, watermeloenen, enz., al de voortbrengselen van Indië, China, Perzië, die der Kaspische en Zwarte Zee, die van Amerika en Europa waren op dit punt van den aardbol vereenigd.
Het was een beweging, een opgewondenheid, een gedrang, een verward geschreeuw, waarvan men zich geen denkbeeld kan maken; de inboorlingen toch der lagere volksklasse waren zeer opdringend, en de vreemdelingen gaven hun op dat punt niets toe. Er waren daar kooplieden uit Midden-Azië, die een jaar noodig hadden gehad om die uitgestrekte vlakten door te trekken, hun koopwaren medevoerende, en die in geen jaar noch hunne winkels, noch hunne kantoren terug zouden zien. Maar zoo groot is het gewicht van die jaarmarkt van Nijni-Novgorod, dat het cijfer der handelsomzettingen niet meer of minder dan honderd millioen roebel bedroeg.
Verder was het op de pleinen tusschen de wijken van deze in een oogwenk verrezen stad, een opeenhooping van goochelaars van allerlei aard, kwakzalvers, koordedansers, oorverdoovend door het gekras van hun orchesten en het geschreeuw bij hun vertooning; Zigeuners, uit de bergen gekomen en waarzeggende aan de domkoppen van een telkens vernieuwd publiek; Zingaris of Tsiganen,—de naam dien de Russen geven aan de Gypsies, de afstammelingen der Kophten,—hun sterkst gekleurde liedjes zingende en de meest oorspronkelijke dansen uitvoerende; troepen reizende komedianten, drama’s van Shakespeare voorstellende, in overeenstemming gebracht met den smaak der toeschouwers, die er in menigte naar toe stroomden. Vervolgens leidden, in de lange lanen, vertooners van beren hun viervoetige equilibristen in vrijheid rond; weergalmden beestenspellen van het gebrul der dieren, aangehitst door de striemende slagen der zweep of door de gloeiende stang van den temmer; eindelijk bootste in het midden van het groote middelplein, omringd van een vierdubbelen kring van opgewonden liefhebbers, een koor van »hunne bootslieden der Wolga” gezeten op den grond, evenals op het dek van hun booten, het roeien na, onder den dirigeerstok van den kapelmeester, een echt stuurman van dit denkbeeldige vaartuig!
Zonderlinge en bekoorlijke gewoonte! Boven de hoofden van deze menigte ontsnapte een vlucht vogels uit de kooien, waarin men ze meegebracht had. Volgens een oud gebruik, openden, op de jaarmarkt van Nijni-Novgorod, in ruil tegen eenige kopeken, door goede zielen liefderijk aangeboden, de cipiers de deur voor hun gevangenen, en bij honderden vlogen zij vroolijk tjilpende weg.
Zoodanig was het gezicht van de vlakte; zoo zou het zijn gedurende tien weken dat de beroemde jaarmarkt te Nijni-Novgorod duurde. Na dat oorverdoovende tijdperk, zou het geweldige geraas als door een tooverslag verdwijnen, de bovenstad haar deftig ambtelijk karakter hernemen, de benedenstad weer in haar gewone eentonigheid vervallen, en van al dien buitengewonen toevloed van kooplieden, behoorende tot al de streken van Europa en Middel-Azië, zou er geen enkel verkooper overblijven, die nog iets te verkoopen, noch een enkele kooper die nog iets te koopen had.
Het is noodig hierbij te voegen, dat dezen keer ten minste, Frankrijk en Engeland op de jaarmarkt te Nijni-Novgorod elk vertegenwoordigd waren, door twee der uitmuntendste voortbrengsels van de nieuwerwetsche beschaving, de heeren Harry Blount en Alcide Jolivet.
Inderdaad waren de twee verslaggevers daarheen gekomen om er indrukken in het belang hunner lezers te verzamelen, en zij besteedden zoo goed mogelijk de weinige uren die zij te verliezen hadden, want ook zij zouden op de Kaukasus plaats nemen. Zij ontmoetten elkander juist op het kermisveld, en waren er niet erg verbaasd over, omdat eenzelfde instinct hen op hetzelfde spoor moest voeren, maar ditmaal spraken zij elkander niet aan, en bepaalden zij zich tot een vrij koelen groet.
Alcide Jolivet, van nature een optimist, vond, dat alles redelijk ging, en daar het toeval hem gelukkig tafel en huisvesting had verschaft, had hij in zijn notitieboekje eenige voor de stad Nijni-Novgorod bijzonder vleiende opmerkingen neergeschreven. Harry Blount zag zich daarentegen, na te vergeefs gezocht te hebben om een avondmaal machtig te worden, verplicht onder den blooten hemel te slapen; hij had dus de zaken uit een geheel ander oogpunt beschouwd, en peinsde over een verpletterend artikel tegen eene stad, waar de logementhouders weigerden reizigers te ontvangen, die niets liever verlangden dan naar »lichaam en ziel” gesneden te worden.
Michael Strogoff met de eene hand in zijn zak, met de andere zijn lange pijp met een roer van kriekenhout vasthoudende, scheen de meest onverschillige en minst ongeduldige der menschen te zijn. Evenwel zou een opmerker, aan zekere samentrekking zijner wenkbrauwen, gemakkelijk gezien hebben, dat hij zijn leed verborg.
Gedurende twee uren liep hij door de straten van de stad, om altijd op het kermisveld terug te komen. Door de massa heendringende, merkte hij op, dat een zekere ongerustheid zich vertoonde onder al de kooplieden, die uit de naburige streken van Azië gekomen waren. De handelsomzettingen leden er zichtbaar onder.
Dat potsenmakers, kwakzalvers en koordedansers, voor hun tenten veel geweld maakten, dat begrijpt zich vanzelf, want die arme duivels hadden niets in handelsondernemingen te verliezen, maar de kooplieden aarzelden zich in te laten met de handelaars uit Middel-Azië, wier land verontrust werd door den inval der Tartaren. Ook was er nog op een ander verschijnsel te letten. In Rusland vertoont zich, bij elke gelegenheid, de militaire uniform. De soldaten mengen zich gaarne onder de menigte en juist te Nijni-Novgorod worden, gedurende de jaarmarkt, de agenten van politie bijgestaan door een groot aantal Kozakken, die, met de lans op den schouder, de orde bewaren in deze opeenhooping van drie honderd duizend vreemdelingen.
Evenwel waren dien dag de militairen, Kozakken of anderen, niet op de jaarmarkt aanwezig. Ongetwijfeld waren zij, in afwachting van een spoedig vertrek, in hunne kazernen geconsigneerd.
Maar hoewel zich geen soldaten vertoonden, was zulks niet het geval met de officieren. Sedert den vorigen dag ijlden adjudanten, uit het paleis van den gouverneur-generaal komende, in alle richtingen heen. Er was dus eene ongekende drukte, die alleen door den ernst der gebeurtenissen te verklaren was. De koeriers vermenigvuldigden zich op de groote wegen, hetzij naar den kant van Wladimir, hetzij naar den kant van het Oeral-gebergte. Onophoudelijk werden telegraphische dépêches tusschen Moskou en St. Petersburg gewisseld. De ligging van Nijni-Novgorod, niet ver van de Siberische grenzen, vorderde klaarblijkelijk ernstige voorzorgsmaatregelen. Men mocht niet vergeten, dat de stad in de XIVe eeuw tweemaal ingenomen was door de voorvaderen van die Tartaren, die de eerzucht van Feofar-Khan door de Kirgiesche steppen joeg.
Een hoog personage, die het niet minder druk had dan de gouverneur-generaal, was de politiemeester. Zijne inspecteurs en hij, belast met het handhaven der orde, het ontvangen der klachten, het waken voor de uitvoering der reglementen, waren niet stil. De bureaux der administratie, nacht en dag open, werden onophoudelijk bestormd, zoowel door de inwoners der stad als door de vreemdelingen, Europeanen of Aziaten.
Juist bevond Michael Strogoff zich op het middelplein, toen het gerucht zich verspreidde, dat de politiemeester per koerier ontboden was op het paleis van den gouverneur-generaal. Een gewichtige dépêche was, zeide men, uit Moskou aangekomen.
De politiemeester begaf zich naar het paleis van den gouverneur en aanstonds verspreidde zich, als door een algemeen voorgevoel, het nieuws, dat een gewichtige, onvoorziene en buitengewone maatregel op til was.
Michael Strogoff luisterde naar hetgeen gezegd werd, ten einde er, zoo noodig, zijn voordeel mee te doen.
»Men zal de jaarmarkt sluiten,” zeide de een.
»Het regiment van Nijni-Novgorod heeft order gekregen om te vertrekken,” antwoordde een ander.
»Men zegt dat de Tartaren Tomsk bedreigen!”
»Daar is de politiemeester,” schreeuwde men van alle kanten.
Plotseling was er een verward geschreeuw ontstaan, dat langzamerhand verminderde en waarop een volkomen stilzwijgen volgde. Een ieder voorspelde eene of andere gewichtige mededeeling van gouvernementswege.
De politiemeester verliet, voorafgegaan door zijne agenten, het paleis van den gouverneur-generaal. Een detachement Kozakken vergezelde hem en deed de menigte door stooten en duwen op zijde gaan.
De politiemeester verscheen op het middelplein, en een ieder kon zien dat hij eene dépêche in de hand hield.
Vervolgens maakte hij met luider stem het volgende bekend:
Besluit van het gouvernement van Nijni-Novgorod:
1o. Verbod aan elk Russisch onderdaan, de provincie, om welke reden ook, te verlaten.
2o. Bevel aan alle vreemdelingen van Aziatischen oorsprong om de provincie binnen vier en twintig uren te verlaten.