EENE UITDAGING.
Ekaterinenburg is eene stad van Azië, want zij is aan gene zijde van het Oeral-gebergte gelegen, op de laatste oostelijke hellingen van de bergketen. Niettemin is zij aan het gouvernement Perm onderhoorig, en, bijgevolg is zij begrepen in een der groote verdeelingen van Europeesch-Rusland.
Noch Michael Strogoff, noch de beide correspondenten behoefden verlegen te wezen om middelen van vervoer te vinden in zulk een aanzienlijke stad, sedert 1723 gesticht.
Te Ekaterinenburg bevindt zich de eerste Munt van het geheele Rijk; aldaar is het algemeene bestuur der mijnen gevestigd. Deze stad is dus een belangrijk middelpunt van nijverheid, in een land waar metaalgieterijen en andere exploitatiën, waar goud- en zilvererts gewasschen wordt, gevonden worden.
Op dit tijdstip was de bevolking van Ekaterinenburg zeer aangegroeid. Russen en Siberiërs, door den inval der Tartaren bedreigd, waren er naar toe gevloeid, na uit de provinciën gevlucht te zijn, die reeds door de horden van Feofar-Khan waren overheerd, en voornamelijk uit het land der Kirgiezen, dat zich ten zuidwesten van de Irtisch tot de grenzen van Turkestan uitstrekt.
Waren dus de middelen van vervoer om Ekaterinenburg te bereiken, zeldzaam geweest, zij waren integendeel overvloedig om de stad te verlaten. In de tegenwoordige omstandigheden hadden de reizigers er weinig lust in om zich op Siberische wegen te wagen.
Uit dien samenloop van omstandigheden volgde nu dat Harry Blount en Alcide Jolivet gemakkelijk gelegenheid vonden om de beruchte halve telega die hen, zoo goed en zoo kwaad mogelijk, naar Ekaterinenburg vervoerd had, door een geheele telega te vervangen. Wat Michael Strogoff betrof, de tarentass was zijn eigendom, en ze had niet erg geleden door de reis over het Oeral-gebergte. Het zou voldoende zijn er drie goede paarden voor te spannen, om snel den weg naar Irkoetsk af te leggen.
Tot Tioemen, en zelfs tot Novo-Zaimskoe, is die weg vrij oneffen, maar, voorbij de wisselplaats van Novo-Zaimskoe begint de onmetelijke steppe, die zich uitstrekt tot dicht bij Krasnoïarsk, over eene uitgestrektheid van ongeveer zeventien honderd wersten (1.815 kilometer).
Men weet, dat de beide correspondenten voornemens waren zich naar Ichim te begeven. Daar moesten zij met de gebeurtenissen te rade gaan, vervolgens de overheerde streken doortrekken, hetzij te zamen, hetzij afzonderlijk, al naar gelang hun jagersinstinct hen op een of ander spoor zou brengen.
Nu was de eenige weg, dien Michael Strogoff kon nemen, die van Ekaterinenburg naar Ichim. Maar hij, die geen nieuws opspoorde, en die integendeel het door de overweldigers geteisterde land zou hebben willen vermijden, was vast besloten zich nergens op te houden.
»Heeren,” zeide hij dus tot zijne nieuwe reisgezellen, »het zal mij zeer aangenaam zijn met u een gedeelte van mijne reis te doen, maar ik moet u zeggen dat ik zeer gehaast ben, want mijne zuster en ik gaan onze moeder te Omsk opzoeken. Wie weet, of wij er zelfs zullen kunnen komen vóor dat de Tartaren de stad overweldigd zullen hebben! Ik houd mij dus aan de pleisterplaatsen slechts zoolang op als er tijd noodig is om van paarden te verwisselen, en ik zal nacht en dag doorreizen!”
»Wij zijn van plan hetzelfde te doen,” antwoordde Harry Blount.
»Goed,” hernam Michael Strogoff, »maar verliest dan geen oogenblik. Huurt of koopt een rijtuig waarvan....”
»Waarvan het achterstel,” voegde Alcide Jolivet er bij, »wel zoo goed zal zijn tegelijkertijd als het voorstel te Ichim aan te komen.”
Een half uur later had de ijverige Franschman, trouwens gemakkelijk eene tarentass gevonden, bijna gelijk aan die van Michael Strogoff en waarin zijn reisgenoot en hij terstond plaats namen.
Michael Strogoff en Nadia zetten zich ook in hun voertuig, en ’s middags te twaalf uur verlieten de beide spannen te zamen de stad Ekaterinenburg.
Nadia was eindelijk in Siberië en op dien langen weg, die naar Irkoetsk voert! Welke moesten toen wel de gedachten van het Lijflandsche meisje zijn? Drie snelle paarden voerden haar naar dat verbanningsoord, waarin haar vader veroordeeld was te leven, misschien voor lang, en zoover van zijn geboorteland! Maar ternauwernood zagen hare oogen die lange steppen zich ontrollen, die een oogenblik voor haar afgesloten waren geweest, want haar blik ging verder dan den gezichteinder, waarachter zij het gelaat van den banneling zocht! Zij merkte niets op van het land dat zij doortrok met eene snelheid van vijftien wersten per uur, niets van deze streken van West-Siberië zoo verschillend van die in het Oostelijk Siberië. Hier inderdaad vindt men geen bebouwde akkers, een armen bodem, ten minste aan zijne oppervlakte, want zijne ingewanden bevatten overvloedig ijzer, koper, platina en goud. Daarom vindt men hier ook overal exploitatiën van nijverheid, doch zeldzaam inrichtingen van landbouw. Hoe zou men ook hier handen vinden, om den grond te bebouwen wanneer het voordeeliger is den bodem met kruitmijnen en houweel om te wroeten? Hier heeft de boer voor den mijnwerker plaats gemaakt. Het houweel is hier overal bezig; de spade nergens.
Intusschen dwaalden de gedachten van Nadia soms van de verre provinciën van het meer Baïkal af, en vestigden zij zich op haren tegenwoordigen toestand. Het beeld van haar vader verdween dan een oogenblik en zij zag haar edelmoedigen reisgenoot allereerst op den spoorweg naar Wladimir, waar de Voorzienigheid haar hem voor de eerste maal had laten ontmoeten. Zij herinnerde zich zijne voorkomendheid gedurende de reis, hare aankomst aan het politiebureau te Nijni-Novgorod, den hartelijken eenvoud, waarmede hij tot haar gesproken had met haar zijne zuster te noemen, zijne gedienstigheid jegens haar gedurende de reis op de Wolga, eigenlijk alles wat hij gedaan had gedurende dien verschrikkelijken nacht van het onweer in het Oeral-gebergte om haar leven met gevaar van het zijne te verdedigen! Nadia dacht dus aan Michael Strogoff. Zij dankte God dat Hij op het rechte tijdstip dien dapperen beschermer, dien edelmoedigen en bescheiden vriend, zoo juist van pas op haar weg geplaatst had. Zij gevoelde zich in veiligheid bij hem, onder zijne hoede. Een eigen broeder had niet beter kunnen handelen! Zij duchtte geen hinderpalen meer, zij meende nu haar doel zeker te bereiken.
Wat Michael Strogoff betreft, hij sprak en dacht veel na. Van zijn kant ook dankte hij God dat Hij hem in de ontmoeting met Nadia, het middel gegeven had om tegelijkertijd zijne wezenlijke persoonlijkheid te verbergen en eene goede daad te verrichten. De kalme onverschrokkenheid van het jonge meisje behaagde aan zijne manhaftige ziel. Waarom was zij niet in werkelijkheid zijne zuster? Hij gevoelde evenveel eerbied als genegenheid voor zijne schoone en heldhaftige gezellin. Hij gevoelde dat het een dier zuivere en zeldzame harten was, waarop men rekenen kan. Evenwel, sedert hij den Siberischen bodem betreden had, waren de ware gevaren voor Michael Strogoff begonnen. Zoo de beide dagbladschrijvers zich niet vergisten, zoo Ivan Ogareff de grenzen was overgetrokken, dan zou hij met de uiterste omzichtigheid moeten handelen. De omstandigheden waren nu veranderd, want de Tartaarsche spionnen moesten in de Siberische provinciën wemelen. Mocht zijn incognito ontdekt, zijne hoedanigheid van koerier van den czaar bekend raken, dan zou het met zijne zending uit zijn, ja zelfs zijn leven misschien bedreigd worden. Michael Strogoff gevoelde toen meer en meer het gewicht van de verantwoordelijkheid, die op hem rustte.
Wat ging er terwijl de zaken aldus in het eerste rijtuig stonden, in het tweede om? Niets bijzonders. Alcide Jolivet sprak zeer veel, Harry Blount antwoordde zeer weinig. Ieder beschouwde de zaken op zijne wijze, en maakte aanteekeningen omtrent het een of ander gebeurde op reis.
Bij elke wisselplaats stapten de beide correspondenten uit en ontmoetten dan telkens Michael Strogoff weder. Wanneer er niets in het posthuis moest gebruikt worden, dan verliet Nadia de tarentass niet. Moest er echter ontbeten of gemiddagmaald worden, dan kwam zij aan tafel, maar, altijd ingetogen, mengde zij zich zeer weinig in het gesprek.
Alcide Jolivet was, zonder de palen eener volmaakte betamelijkheid te buiten te gaan, voortdurend zeer voorkomend jegens het Lijflandsche meisje. Hij bewonderde de stille geestkracht die zij te midden der vermoeienissen van de reis aan den dag legde.
Deze gedwongen tusschenpoozen bevielen Michael Strogoff maar zeer weinig. Ook drong hij op elke wisselplaats tot spoedig vertrek aan, door èn postmeester èn iemschiks aan te zetten en te haasten. Na vervolgens haastig gegeten te hebben,—altijd te haastig naar den zin van Harry Blount, die in het eten zeer afgemeten was,—vertrok men, en ook de dagbladschrijvers werden als adelaars gereden, want zij betaalden vorstelijk, en zooals Alcide Jolivet zeide »als Russische adelaars.” [5]
Het spreekt vanzelf dat Harry Blount geenszins zocht zich in de gunst van het jonge meisje te dringen. Die deftige gentleman had de gewoonte niet twee dingen te gelijk te doen.
Eens vroeg Alcide Jolivet hem, hoe oud hij wel dacht dat het jonge Lijflandsche meisje kon zijn:
»Welk jong Lijflandsch meisje?” antwoordde hij met de grootste ernst van de wereld, zijne oogen half sluitende.
»Wel drommels! de zuster van Nikolaas Korpanoff.”
»Is dat zijne zuster?”
»Neen, zijne grootmoeder,” hernam Alcide Jolivet, door zooveel onverschilligheid uit het veld geslagen.
»Voor hoe oud houdt gij haar?”
»Indien ik haar had zien geboren worden, dan zou ik het weten!” antwoordde Harry Blount eenvoudig, als een man, die zich niet wilde uitlaten.
Het land, door de beide tarentassen doorloopen, was nagenoeg verlaten. Het weer was vrij schoon, de lucht half betrokken, de luchtsgesteldheid draaglijker. Hadden de voertuigen op veeren gehangen, de reizigers zouden zich over de reis niet te beklagen hebben gehad. Doch, indien het land verlaten scheen, was dit toe te schrijven aan de tegenwoordige omstandigheden. Op de velden bijna geen dier Siberische boeren, met hun bleek en ernstig gelaat, die eene beroemde reizigster terecht vergeleken heeft bij de Kastilianen, den trotschen ernst van dezen daargelaten. Hier en daar eenige dorpen, die reeds ontruimd waren, hetgeen het naderen der Tartaarsche troepen aanduidde. De inwoners hadden, hunne kudden schapen, hunne kameelen, hunne paarden met zich voerende, eene schuilplaats in de noordelijke vlakten gezocht. Eenige stammen van de groote horde der zwervende Kirgiezen, die getrouw gebleven waren, hadden ook hunne tenten aan gene zijde van de Irtisch of de Oleg overgebracht, om aan de rooverijen der overweldigers te ontsnappen.
Zeer gelukkig had de postdienst nog altijd geregeld plaats, alsmede de dienst van de telegraaf tusschen de punten die nog met den draad in verband waren. Aan elke wisselplaats leverden de postmeesters nog de paarden volgens de reglementaire voorwaarden. Aan elk station zaten de beambten nog voor hun raampje, en seinden de dépêches over, die hun toevertrouwd werden, ze alleen voor de regeeringstelegrammen achterstellende. Ook maakten Harry Blount en Alcide Jolivet er ruim gebruik van.
Tot hiertoe had Michael Strogoff dus zijne reis op bevredigende wijze volbracht. De koerier van den czaar had nog geen oponthoud ondervonden en, indien het hem gelukte het punt om te trekken, waar de Tartaren onder Feofar-Khan tot voor Krasnoïarsk waren voortgerukt, dan was hij zeker van vóor hen te Irkoetsk aan te komen.
Den dag na hun vertrek uit Ekaterinenburg, hadden de beide tarentassen het stadje Toeloeguisk bereikt, tegen zeven uur in den morgen, na tweehonderd twintig wersten afgelegd te hebben.
Daar werd een half uur met ontbijten doorgebracht. Het ontbijt afgeloopen zijnde, vervolgden de reizigers opnieuw hun weg met eene snelheid, die de belofte van een zeker aantal kopeken alleen verklaarbaar maakte.
Denzelfden dag, 22 Juli, ’s nachts om éen uur, kwamen de beide tarentassen, na zestig wersten afgelegd te hebben, te Tioemen aan. Tioemen, waarvan de gewone bevolking tien duizend inwoners bedraagt, telde toen het dubbel. Deze stad, het eerste middelpunt van nijverheid dat de Russen in Siberië tot stand brachten, en waarvan men de schoone metaalsmelterijen en de klokkengieterij opmerkt, had nog nooit zulk eene levendigheid vertoond.
De beide correspondenten gingen terstond op nieuwstijdingen uit.
Die, welke de Siberische vluchtelingen van het tooneel van den oorlog mede brachten, waren niet geruststellend.
Men vertelde onder anderen, dat het leger van Feofar-Khan de vallei van de Ichim met rassche schreden naderde, en men bevestigde dat kolonel Ivan Ogareff zich weldra bij het Tartaarsche opperhoofd zou voegen, zoo dit al niet reeds had plaats gehad.
Wat nu de Russische troepen betrof, men had ze voornamelijk uit de provinciën van Europeesch Rusland moeten oproepen, en zij waren nog te ver verwijderd, om aan den inval weerstand te bieden. Evenwel rukten de Kozakken uit het Gouvernement Tobolsk met geforceerde marschen naar Tomsk op, in de hoop van het Tartaarsche leger te verhinderen verder voort te trekken.
’s Avonds om acht uur kwamen de beide tarentassen te Yaloetorowks aan. Men verwisselde spoedig, en even buiten de stad moest men de rivier Tobel in eene veerpont over, dat hier gemakkelijk ging. Te middernacht werd het vlek Novo-Saimsk bereikt, na vijf en vijftig wersten (581⁄2 kilometer) afgelegd te hebben, en de reizigers verlieten nu eindelijk den eenigszins heuvelachtigen bodem, bedekt met boomen, de laatste sporen van het Oeral-gebergte.
Hier begint nu eigenlijk hetgeen men noemt de Siberische steppe, die zich tot de omstreken van Krasnoïarsk uitstrekt. Het is eene eindelooze vlakte, eene soort van grazige woestijn, alwaar men niets anders zag dan de van afstand tot afstand aan weerszijden van den weg geplaatste telegraafpalen, en waar de weg zich alleen van de vlakte onderscheidde door het fijne zand, dat van onder de wielen der tarentassen opstoof.
Het ging nu regelrecht op Ichim aan, alwaar de beide correspondenten moesten vertoeven, indien niet eene of andere gebeurtenis hun reisplan mocht wijzigen.
Twee honderd wersten ongeveer scheidden Novo-Saimsk van de stad Ichim, en den volgenden dag, vóor acht uur ’s avonds, moesten en konden zij afgelegd zijn, mits er geen oogenblik verloren ging.
Zoo de reizigers al niet groote heeren of hooggeplaatste beambten waren, waren zij toch, naar het oordeel der iemschiks, waardig het te zijn, door hunne mildheid in het geven van fooien.
Den volgenden dag, 23 Juli, waren de beide tarentassen inderdaad niet meer dan dertig wersten van Ichim verwijderd.
Op dit oogenblik bemerkte Michael Strogoff op den weg, en nauwelijks zichtbaar te midden van wolken stof, een rijtuig dat vóor het zijne uitreed. Daar zijne paarden, die minder moe waren, veel sneller liepen, moest hij het weldra inhalen.
Het was noch eene tarentass, noch eene telega, maar een post-berline, erg met stof bedekt en die reeds eene lange reis moest gemaakt hebben. De postiljon sloeg de paarden uit al zijn macht en hield ze alleen in galop door vloeken en slaan. Deze berline was zeker niet over Novo-Saimsk gekomen maar moest, langs een of anderen zijweg, op den weg naar Irkoetsk gekomen zijn.
Michael Strogoff en zijne reisgenooten deze berline ziende, die op Ichim aanhield, hadden slechts éene gedachte, namelijk ze vooruit te rijden en vóor haar aan de wisselplaats te komen, om vooral zeker te zijn over paarden te kunnen beschikken. Zij hadden dus slechts een woord aan de iemschiks te zeggen, om weldra gelijk te komen met de afgematte paarden van de berline.
Michael Strogoff kwam het eerste aan.
Op dit oogenblik verscheen een hoofd aan het portier van de berline.
Michael Strogoff had nauwelijks den tijd het op te nemen. Evenwel, hoe snel hij ook voorbijreed, hoorde hij zeer duidelijk op een gebiedenden toon hem toevoegen:
»Houdt op.”
Men hield niet op. Integendeel, de berline werd weldra door de beide tarentassen vooruitgereden. Nu had er een wedren plaats, want de paarden van de berline, opgewekt zonder twijfel door de tegenwoordigheid en de snelheid der paarden, die hen vooruit liepen, vonden nieuwe krachten om eenige minuten gelijk te blijven. De drie rijtuigen waren in een wolk van stof verdwenen, waaruit, als eene losbranding van vele geweren tegelijk, een zweepgeklap ontsnapte, dooreengemengd met geschreeuw en uitingen van woede.
Niettemin bleef het voordeel toch aan den kant van Michael Strogoff en zijne reisgenooten, een voordeel dat zeer belangrijk kon zijn, wanneer de wisselplaats van weinig paarden voorzien was. Twee rijtuigen verspannen, was misschien meer dan een postmeester doen kon, ten minste in een korten tijd.
Een half uur later was de achtergebleven berline niets meer dan een nauwelijks zichtbaar punt aan den gezichteinder der steppen.
Het was acht uur in den avond toen de beide tarentassen aan de wisselplaats te Ichim aankwamen.
De tijdingen aangaande den inval waren hoe langer hoe meer verontrustend. De stad werd rechtstreeks bedreigd door de voorhoede van het Tartaarsche leger, en sedert twee dagen hadden de autoriteiten op Tobolsk moeten terugtrekken. Ichim had niet éen beambte, niet éen soldaat meer.
Michael Strogoff vroeg, aan de wisselplaats aangekomen, onmiddellijk paarden voor zich. Hij had zeer wijs gedaan de berline vóor te zijn, want slechts drie paarden waren in staat om onmiddellijk voorgespannen te worden.
De postmeester gaf bevel om in te spannen.
Wat de beide correspondenten betreft, deze schenen beter te vinden te Ichim te blijven; zij hadden geen haast.
Tien minuten na zijne aankomst kwam men Michael Strogoff zeggen dat zijne tarentass gereed was om te vertrekken.
»Goed,” antwoordde hij.
Vervolgens naar de beide dagbladschrijvers gaande, zeide hij:
»Nu heeren, wijl gij te Ichim blijft, zoo is het oogenblik van scheiden gekomen.”
»Hoe, mijnheer Korpanoff,” zeide Alcide Jolivet, »zult ge dan niet eens een uurtje te Ichim blijven?”
»Neen, mijnheer, en ik verlang zelfs het posthuis verlaten te hebben, vóor de aankomst van die berline, die wij vooruitgereden zijn.”
»Vreest gij dan dat die reiziger zal trachten u de paarden te betwisten?”
»Ik houd er vooral van alle moeilijkheden te vermijden.”
»Dan, mijnheer Korpanoff,” zeide Alcide Jolivet, »dan blijft ons niets meer over dan u nog eens te bedanken voor den dienst dien gij ons bewezen hebt en voor het genoegen dat wij gehad hebben met u in gezelschap te mogen reizen.”
»Het is nog wel mogelijk dat wij elkander binnen eenige dagen te Omsk weder zullen ontmoeten,” voegde Harry Blount er bij.
»Dat is inderdaad mogelijk,” antwoordde Michael Strogoff, »wijl ik er regelrecht heenga.”
»Welnu dan, goede reis, mijnheer Korpanoff!” zeide Alcide Jolivet toen, »en God beware u voor de telega’s.”
De beide correspondenten staken Michael Strogoff de hand toe met het voornemen ze hem zoo hartelijk mogelijk te drukken, toen zich buiten het gedruisch van een rijtuig deed hooren.
Op eens werd de deur opengeduwd en een man trad binnen.
Het was de reiziger van de berline, een man met eene militaire houding, een veertig jaar oud, groot, stevig, met een groot hoofd, breede schouders, zware knevels en roode bakkebaarden. Hij droeg eene uniform zonder onderscheidingsteekenen, en in zijn hand hield hij eene zweep met een kort handvat.
»Paarden,” vroeg hij op een gebiedenden toon, als een man die gewoon is te bevelen.
»Ik heb geen paarden meer beschikbaar,” antwoordde de postmeester zich buigende.
»Ik heb er terstond noodig.”
»Het is onmogelijk.”
»Welke zijn dan die paarden die ik aan de deur voor de tarentass gespannen heb gezien?”
»Zij behooren aan dezen reiziger,” antwoordde de postmeester, op Michael Strogoff wijzende.
»Dat men ze uitspanne!....” zeide de reiziger, op een toon die geen tegenspraak gedoogde.
Michael Strogoff naderde toen.
»Die paarden heb ik besproken,” zeide hij.
»Dat kan mij niet schelen! Ik moet ze hebben. Kom! gauw! ik heb geen tijd te verliezen!”
»Ik ook niet,” antwoordde Michael Strogoff, die bedaard wilde blijven, en die zich niet zonder moeite inhield.
Nadia stond naast hem, ook kalm, doch heimelijk ongerust voor een tooneel, dat beter was te vermijden.
»Genoeg!” herhaalde de reiziger.
Vervolgens naar den postmeester gaande:
»Laat die tarentass uitspannen,” riep hij uit met een dreigenden blik, »en laat die paarden voor mijne berline spannen!”
De postmeester, zeer verlegen, wist niet aan wien te gehoorzamen, en hij keek Michael Strogoff aan, die ontegenzeggelijk het recht had zich tegen de onrechtvaardige vorderingen van den reiziger te verzetten.
Michael Strogoff aarzelde een oogenblik. Hij wilde geen gebruik maken van zijn podaroshna, dat de aandacht op hem zou getrokken hebben; hij wilde ook niet, door de paarden af te staan, zijne reis vertragen, en, ook wilde hij geen strijd die zijne zending in gevaar zou kunnen brengen.
De beide dagbladschrijvers keken hem aan, overigens gereed om hem te helpen, wanneer hij hunne hulp mocht inroepen.
»Mijne paarden zullen aan mijn rijtuig blijven,” zeide Michael Strogoff, doch op een toon, die aan een eenvoudigen koopman van Irkoetsk paste.
De reiziger kwam toen op Michael Strogoff af, en hem ruw bij den schouder vattende:
»Zoo, zoo!” zeide hij met eene schelle stem. »Je wilt me niet je paarden afstaan?”
»Neen,” antwoordde Michael Strogoff.
»Welnu, dan zullen ze zijn voor diegene van ons, die in staat zal zijn te vertrekken! Verdedig je, want ik zal je niet ontzien!”
En zoo sprekende, trok de reiziger zijn sabel en stelde zich in postuur.
Nadia had zich voor Michael Strogoff geworpen.
Harry Blount en Alcide Jolivet traden naar hem toe.
»Ik zal niet duelleeren,” zeide Michael Strogoff eenvoudig, en, om zich beter in te houden, kruiste hij zijn armen op zijne borst.
»Gij zult niet vechten?”
»Neen.”
»Zelfs ook na dit niet?” riep de reiziger uit.
En, voor men hem had kunnen tegenhouden, had hij Michael Strogoff met het handvatsel zijner zweep reeds een slag op den schouder toegebracht.
Bij deze beleediging verbleekte Michael Strogoff op verschrikkelijke wijze. Zijne handen verhieven zich wijd geopend in de hoogte, alsof zij dat onbeschoft personage wilden verpletteren. Maar door eene uiterste poging, bleef hij zich zelf meester.
Een tweegevecht kon meer dan eene vertraging, het kon de mislukking zijner zending veroorzaken!.... Beter ware het een paar uren te verliezen.... Ja! maar die beleediging te verkroppen!
»Zult ge nu vechten, lafaard?” herhaalde de reiziger, de grofheid bij de onbeschoftheid voegende.
»Neen!” antwoordde Michael Strogoff, die onbeweeglijk bleef, maar den reiziger strak in de oogen keek.
»De paarden, en terstond!” zeide deze toen.
En daarop verliet hij de zaal.
De postmeester volgde hem onmiddellijk, niet zonder de schouders opgehaald en Michael Strogoff met een blik, waarin weinig goedkeuring doorstraalde, aangekeken te hebben.
De uitwerking van dit voorval op de dagbladschrijvers teweeggebracht, kon niet gunstig voor Michael Strogoff zijn, wiens gedrag hun zeer tegenviel. De stevige, krachtvolle jonge man, zich zoo te laten slaan, en voor dergelijke beleediging niet eens voldoening te vragen. Zij groetten hem dus en gingen heen, terwijl Alcide Jolivet tegen Harry Blount zeide:
»Ik zou dat nooit van dien man gedacht hebben, die zoo netjes de beren van den Oeral den buik openrijt! Zou het dus waar zijn dat de moed zijn oogenblikken en zijn vormen heeft? Het is onbegrijpelijk! Wellicht komt het daar vandaan dat wij nooit lijfeigenen geweest zijn!”
Een oogenblik daarna duidden het geraas van wielen en het klappen eener zweep aan dat de berline met de paarden van de tarentass bespannen, snel het posthuis verliet.
Nadia, geheel gevoelloos en Michael Strogoff, nog van woede bevende, bleven alleen in de wachtkamer der wisselplaats. De koerier van den czaar, nog altijd met de armen over de borst gekruist, was gaan zitten. Hij was een standbeeld gelijk. Evenwel had eene roode kleur, niet die der schaamte, de bleekheid op zijn mannelijk gelaat vervangen.
Nadia twijfelde niet of allerkrachtigste redenen alleen hadden zulk een man eene dergelijke beleediging kunnen doen verkroppen.
Zij ging dus naar hem toe zooals hij in het politiehuis te Nijni-Novgorod naar haar was toegekomen, en zeide:
»Uwe hand, broeder!”
En tegelijkertijd wischte haar vinger, door eene bijna moederlijke beweging, een traan af, die uit het oog van haren makker opwelde.