Advertisement
Het voorwoord bij deze uitgave moet ik, helaas, alleen onderteekenen. Marx, de man, wien de geheele arbeidersklasse van Europa en Amerika meer te danken heeft, dan aan welk ander ook--Marx rust op de begraafplaats te Highgate, en op zijn graf groeit reeds het eerste gras. Sinds zijn dood kan van eene omwerking of aanvulling van het manifest eerst recht geen sprake meer zijn. Voor des te noodiger houd ik het, hier nogmaals het volgende uitdrukkelijk vast te stellen:
De doorloopende grondgedachte van het manifest: dat de ekonomische productie en de, uit haar met noodzakelijkheid voortvloeiende, maatschappelijke indeeling van iedere historische periode den grondslag vormt voor de politieke en intellectueele geschiedenis dezer periode; dat overeenkomstig daarmede (sinds de opheffing van het oeroude gemeenschappelijk bezit van grond en bodem) de geheele geschiedenis een geschiedenis van klassenstrijden geweest is, strijden tusschen uitgebuitte en uitbuitende, beheerschte en heerschende klassen, op verschillende trappen der maatschappelijke ontwikkeling; dat echter deze strijd nu een trap bereikt heeft, waarop de uitgebuitte en onderdrukte klasse (het proletariaat) zich niet meer van de haar uitbuitende en onderdrukkende klasse (de bourgeoisie) bevrijden kan, zonder tegelijk de geheele maatschappij voor altijd van uitbuiting, onderdrukking en klassenstrijden te bevrijden--deze grondgedachte behoort alleen en uitsluitend Marx toe.[1]
[1] „Deze gedachte”, zeg ik in de voorrede der Engelsche uitgave, „die naar mijne meening geroepen is, voor de geschiedeniswetenschap denzelfden vooruitgang te bewerken, dien Darwin’s theorie voor de natuurwetenschap heeft gegrondvest--deze gedachte waren wij beiden reeds verscheidene jaren vóór 1845 langzamerhand op het spoor gekomen”. Hoe ver ik mij zelfstandig in deze richting bewogen had, toont mijn „Toestand der arbeidende klassen in Engeland”. Toen ik echter in het voorjaar van 1845 Marx in Brussel weder trof, had hij haar klaar uitgewerkt, en legde hij ze mij voor in bijna even heldere woorden als die waarin ik haar boven heb samengevat.
Ik heb dit reeds dikwijls uitgesproken: het is evenwel juist thans noodig, dat het ook voor het manifest zelf staat.
~Londen~, 28 Juni 1883.
F. ENGELS.
Advertisement